Hebreeën
Nieuwe Testament · 13 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)
Inleiding
Deze brief is een zeer voortreffelijk geschrift van het Nieuwe Testament. Daarin wordt de uitnemendheid van de persoon en de ambten van Jezus Christus, onze Zaligmaker, beschreven, met een orde zoals de apostel Paulus in vrijwel al zijn brieven gebruikt, en in een zeer goddelijke stijl, tot aan vers 19 van Hoofdstuk 10. Vandaar verder tot het einde van de brief worden verschillende vermaningen voorgesteld, die dienen tot versterking in het geloof en in de christelijke wandel. Wat de persoon van Christus betreft, daarover handelt hij in de eerste twee hoofdstukken. In Hoofdstuk 1 bewijst hij zijn waarachtige en eeuwige Godheid, met een verklaring van zijn uitnemendheid boven alle engelen. In Hoofdstuk 2 bewijst hij zijn ware menselijke natuur, die hij uit het zaad van Abraham heeft aangenomen tot onze verlossing. In de Hoofdstukken 3 en 4 spreekt hij over zijn profetisch ambt, en hij verheft dat ver boven het ambt van de profeet Mozes, en bewijst dat zijn leer waardiger en krachtiger is en daarom met des te meer zorgvuldigheid moet worden waargenomen. In Hoofdstuk 5 begint hij te spreken over de roeping van Christus tot het priesterlijk ambt. En nadat hij een uitweiding had gebruikt vanaf vers 11 van Hoofdstuk 5 tot aan het einde van Hoofdstuk 6, die diende om hen tot aandacht en zorgvuldigheid in het vasthouden van deze leer op te wekken, komt hij in Hoofdstuk 7 en verklaart hij de aard van het koninklijk en priesterlijk ambt van Christus, door een voortdurende vergelijking met Melchizedek en zijn ambten, tot het einde van het hoofdstuk. In Hoofdstuk 8 stelt hij de voortreffelijkheid van het priesterlijk ambt van Christus voor ogen, door de vergelijking van het oude verbond met de voortreffelijkheid van het nieuwe verbond. En ten slotte, van het begin van Hoofdstuk 9 tot vers 19 van Hoofdstuk 10, verklaart hij de eigenschappen en de uitnemendheid van het priesterlijk ambt van Christus door een vergelijking met het ambt van de priesters van het Oude Testament, en in het bijzonder met het ambt van de hogepriester, zowel in zijn andere bedieningen als in zijn jaarlijkse ingang in het heilige der heiligen; daarmee besluit hij de behandeling van het eerste deel van de brief. In vers 19 van Hoofdstuk 10 komt hij tot het tweede deel van de brief, en hij vermaant hen in het algemeen tot gehoorzaamheid en standvastigheid in deze voorgestelde leer, ondanks hun verdrukkingen en zijn boeien. Daarna handelt hij over het geloof en de eigenschappen van het geloof door heel Hoofdstuk 11 heen, en over de eigenschappen van de christelijke hoop en het geduld in Hoofdstuk 12, en over verschillende plichten van de liefde tot vers 20 van Hoofdstuk 13. En van daar tot het einde besluit hij de brief met een ernstig gebed tot God voor hen, met een korte vermaning en de vermelding van Timoteüs' vrijlating, en met de gebruikelijke groet.