BijbelHebreeën

Hebreeën 1

Lees Hebreeën 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De apostel betuigt dat God weliswaar eertijds door de profeten tot de vaderen heeft gesproken, maar nu tot ons door zijn Zoon. 2 Wiens Godheid, majesteit en ambt hij kort beschrijft. 4 Bewijst daarna uit verscheidene plaatsen van het Oude Testament dat de heerlijkheid van de Zoon ver uitgaat boven de heerlijkheid van de engelen. 8 Dat Hij een goddelijke en eeuwige troon heeft, en dat Hij gezalfd is boven al zijn metgezellen. 10 Bewijst verder dat hemel en aarde door Hem geschapen zijn, en een einde zullen hebben, maar dat Hij begin noch einde heeft. 13 En dat Hij alleen zit aan de rechterhand van zijn Vader. 14 Maar dat alle engelen dienende geesten zijn.

1God, voorheen veelmaal en op allerlei wijze, tot de vaders gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon;

2Die Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welke Hij ook de wereld gemaakt heeft;

3Die, zo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking van onze zonden door Zichzelf te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen;

4Zoveel voortreffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitmuntender Naam boven hen geërfd heeft.

5Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: U bent Mijn Zoon, vandaag heb ik U gegenereerd? En opnieuw: Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn?

6En als Hij opnieuw de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: En dat alle engelen van God Hem aanbidden.

7En tot de engelen zegt Hij wel: Die Zijn engelen maakt geesten, en Zijn dienaren een vlam van het vuur.

8Maar tot de Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de scepter van Uw koninkrijk is een rechte scepter.

9U hebt rechtvaardigheid liefgehad, en ongerechtigheid gehaat; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met olie van de vreugde boven Uw metgezellen.

10En: U, Heere! heb in de beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken van Uw handen;

11Dezelfde zullen vergaan, maar U blijft altijd, en zij zullen alle als een kleed verouden;

12En als een dekkleed zult U ze ineenrollen, en zij zullen veranderd worden; maar U bent Dezelfde, en Uw jaren zullen niet ophouden.

13En tot welke van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten?

14Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, omwille van degenen, die de zaligheid beërven zullen?