BijbelHebreeën

Hebreeën 10

Lees Hebreeën 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De apostel verklaart dat de wet slechts een schaduw had van de toekomstige goederen, en door haar veelvuldige en jaarlijkse offeranden niets heeft kunnen volmaken. 5 En dat David daarom in Psalm 40 betuigt dat Christus in de wereld zou komen om de wil van God te doen. 10 En ons door de enige offerande van zijn lichaam in eeuwigheid te volmaken. 15 Hetzelfde bewijst hij weer uit de inhoud van het Nieuwe Verbond, Jeremia hoofdstuk 31, waarin de volkomen wegneming van de zonden wordt beloofd. 18 En besluit daarom dat geen offerande voor de zonden meer nodig is. 19 Hij komt daarna tot het andere deel van de brief, namelijk tot de vermaningen aangaande hun verschuldigde plicht; en allereerst vermaant hij de Hebreeën om met een vrijmoedig geloof tot God te gaan langs de weg die Christus ons heeft ingewijd. 23 Daarna vermaant hij hen tot standvastigheid in de belijdenis van deze hoop, en tot onwankelbare liefde. 25 En tot het bijwonen van hun samenkomsten. 26 Stelt hun daartoe voor ogen, aan de ene kant het schrikkelijke oordeel van God dat de afvalligen te wachten staat. 32 En aan de andere kant hun voorgaande lijdzaamheid en medelijden met de verdrukten, ook zelfs met zijn banden. 36 Alsook de beloften die de volhardenden zullen wegdragen. 37 Wat hij beide bewijst met een plaats uit Habakuk hoofdstuk 2 vers 4, die hij verhaalt en toepast.

1Want de wet, hebbende een schaduw van de toekomende goederen, niet het beeld zelf van de zaken, kan met dezelfde offergaven, die zij alle jaren steeds opofferen, nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan.

2Anders zouden zij opgehouden hebben, geofferd te worden, omdat degenen, die de dienst pleegden, geen geweten meer zouden hebben van de zonden, eenmaal gereinigd geweest zijnde;

3Maar nu gebeurt daarin alle jaren weer herinnering van de zonden.

4Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme.

5Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offergave hebt U niet gewild, maar U hebt Mij het lichaam toebereid;

6Brandofferen en offer voor de zonde hebben U niet behaagd.

7Toen sprak Ik: Zie, Ik kom (in het begin van het boek is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God!

8Als Hij te voren gezegd had: Slachtoffer, en offergave, en brandoffers, en offer voor de zonde hebt U niet gewild, noch hebben U behaagd (die naar de wet geofferd worden);

9Toen sprak Hij: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God! Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen.

10In welke wil wij geheiligd zijn, door de offergave van het lichaam van Jezus Christus, eenmaal gebeurd.

11En ieder priester stond wel alle dagen dienende, en dezelfde slachtoffers dikwijls offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen;

12Maar Deze, één slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand van God;

13Verder verwachtende, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank van Zijn voeten.

14Want met één offergave heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.

15En de Heilige Geest getuigt het ons ook;

16Want nadat Hij te voren gezegd had: Dit is het verbond, dat Ik met hen maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten geven in hun harten, en Ik zal die inschrijven in hun verstanden;

17En hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik in geen geval meer gedenken.

18Waar nu vergeving daarvan is, daar is geen offergave meer voor de zonde.

19Omdat wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,

20Op een versen en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees;

21En omdat wij hebben een grote Priester over het huis van God;

22Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid van het geloof, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water.

23Laat ons de onwankelbare belijdenis van de hoop vast houden; (want Die het beloofd heeft, is getrouw);

24En laat ons op elkaar acht nemen, tot opscherping van de liefde en van de goede werken;

25En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals sommigen de gewoonte hebben, maar elkaar vermanen; en dat zoveel te meer, als u ziet, dat de dag nadert.

26Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden;

27Maar een schrikkelijke verwachting van het oordeel, en hitte van het vuur, dat de tegenstanders zal verslinden.

28Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid, onder twee of drie getuigen;

29Hoeveel te zwaarder straf, denkt u, zal hij waard geacht worden, die de Zoon van God vertreden heeft, en het bloed van het testament onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en de Geest van de genade smaad heeft aangedaan?

30Want wij kennen Hem, Die gezegd heeft: Van Mij is de wraak, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En opnieuw: De Heere zal Zijn volk oordelen.

31Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God.

32Maar gedenkt de vorige dagen, in die, nadat u verlicht bent geweest, u veel strijd van het lijden hebt verdragen.

33Ten dele, als u door smaadheden en verdrukkingen een schouwspel geworden bent; en ten dele, als u gemeenschap gehad hebt met degenen, die zo behandeld werden.

34Want u hebt ook over mijn banden medelijden gehad, en de roving van uw goederen met blijdschap aangenomen, wetende, dat u hebt in uzelf een beter en blijvend goed in de hemelen.

35Werp dan uw vrijmoedigheid niet weg, die een grote vergelding van het loon heeft.

36Want u hebt volharding nodig, opdat u, de wil van God gedaan hebbende, de beloftenis mag wegdragen;

37Want: Nog een zeer korte tijd en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet talmen.

38Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven; en zo iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen.

39Maar wij zijn niet van degenen, die zich onttrekken ten verderve, maar van degenen, die geloven tot behouding van de ziel.