BijbelHebreeën

Hebreeën 11

Lees Hebreeën 11 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Om de Hebreeën des te beter tot standvastigheid in het geloof te bewegen, beschrijft hij hun het geloof, met zijn eigenschappen en werkingen. 4 En brengt daartoe de voorbeelden voort van het geloof van de aartsvaderen van het Oude Testament, en allereerst van Abel. 5 En van Henoch. 7 En van Noach. 8 Daarna van Abraham. 11 En van Sara. 13 Die met hun zaad de beloften van het land Kanaän wel hebben ontvangen, maar de vervulling daarvan niet op aarde, maar in de hemel hebben verkregen. 17 Verder verhaalt hij het voorbeeld van het geloof van Abraham in het offeren van zijn zoon Izak. 20 En van Izak in het zegenen van zijn zoon Jakob. 21 En van Jakob in het zegenen van de zonen van Jozef. 22 En van Jozef op zijn sterfbed. 23 Daarna van de ouders van Mozes. 24 En van Mozes zelf in het verachten van zijn eer en gemak in het hof van Farao. 27 En in het vertrekken uit Egypte, het houden van het Pascha en het doorgaan door de Rode Zee. 30 Daarna van Jozua en van Rachab in het innemen van Jericho. 32 Alsook van de richters en koningen, die door het geloof grote dingen verricht hebben. 35 Daarna van enige vrouwen, die grote moeilijkheden daardoor hebben uitgestaan. 36 Zoals ook verscheidene andere profeten en martelaren. 39 Besluit dat dezen allen gestorven zijn in het geloof, hoewel zij de beloofde zaak zonder ons niet hebben verkregen.

1Het geloof nu is een vaste grond van de dingen, die men hoopt, en een bewijs van de zaken, die men niet ziet.

2Want door hetzelfde hebben de oude getuigenis bekomen.

3Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord van God is toebereid, zo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden.

4Door het geloof heeft Abel een meerdere offergave voor God geofferd dan Kaïn, door dat hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, zo God over zijn gave getuigenis gaf; en door hetzelfde geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.

5Door het geloof is Henoch weggenomen geweest, opdat hij de dood niet zou zien; en hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had; want voor zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij voor God behaagde.

6Maar zonder geloof is het onmogelijk voor God te behagen. Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is van degenen, die Hem zoeken.

7Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam van de rechtvaardigheid, die naar het geloof is.

8Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou.

9Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte, als in een vreemd land, en heeft in tenten gewoond met Izak en Jakob, die mee-erfgenamen waren van diezelfde belofte.

10Want hij verwachtte de stad, die fundamenten heeft, waarvan de Kunstenaar en Bouwmeester God is.

11Door het geloof heeft ook Sara zelf kracht ontvangen, om zaad te geven, en boven de tijd van haar ouderdom heeft zij gebaard; omdat zij Hem getrouw heeft geacht, Die het beloofd had.

12Daarom zijn ook van één, en dat één verstorvene, zovelen in menigte geboren, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is, dat ontallijk is.

13Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelfde van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren.

14Want die zulke dingen zeggen, betonen duidelijk, dat zij een vaderland zoeken.

15En als zij aan dat vaderland gedacht hadden, van dat zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben, om weer te keren;

16Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God van hun niet, om hun God genoemd te worden; want Hij had hun een stad bereid.

17Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd, en hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd,

18(Tot die gezegd was: In Izak zal u het zaad genoemd worden) overleggende, dat God machtig was, hem ook uit de doden te verwekken;

19Waaruit hij hem ook bij gelijkenis wedergekregen heeft.

20Door het geloof heeft Izak zijn zonen Jakob en Ezau gezegend aangaande toekomende dingen.

21Door het geloof heeft Jakob, stervende, ieder van de zonen van Jozef gezegend, en heeft aangebeden, leunende op het bovenste van zijn staf.

22Door het geloof heeft Jozef, stervende, gemeld van de uitgang van de Israëlieten, en heeft bevel gegeven van zijn gebeente.

23Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang van zijn ouders verborgen, omdat zij zagen, dat het kind schoon was; en zij vreesden het gebod van de koning niet.

24Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao's dochter genoemd te worden;

25Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting van de zonde te hebben;

26Achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding van het loon.

27Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vrezende de toorn van de koning; want hij hield zich vast, als ziende de Onzichtbare.

28Door het geloof heeft hij het pascha uitgericht, en de besprenging van het bloed, opdat de verderver van de eerstgeborenen hen niet raken zou.

29Door het geloof zijn zij de Rode zee doorgegaan, als door het droge; dat de Egyptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken.

30Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen, als zij tot zeven dagen toe omringd waren geweest.

31Door het geloof is Rachab, de hoer, niet omgekomen met de ongehoorzamen, als zij de spionnen met vrede had ontvangen.

32En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zou ik verhalen van Gideon, en Barak, en Samson, en Jeftha, en David, en Samuël, en de profeten;

33Die door het geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen van de leeuwen toegestopt;

34De kracht van het vuur hebben uitgeblust, de scherpte van het zwaard zijn ontvlucht, uit zwakheid krachten hebben gekregen, in de oorlog sterk geworden zijn, legers van de vreemden op de vlucht hebben gebracht;

35De vrouwen hebben haar doden uit de opstanding wedergekregen; en anderen zijn uitgerekt geworden, de aangeboden verlossing niet aannemende, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden.

36En anderen hebben bespottingen en geselen geproefd, en ook banden en gevangenis;

37Zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht; hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde;

38(Van wie de wereld niet waard was) hebben in woestijnen gedoold, en op bergen, en in grotten, en in holen van de aarde.

39En deze allen, hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregen;

40Zo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden.