BijbelHebreeën

Hebreeën 12

Lees Hebreeën 12 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Uit de voorbeelden van het voorgaande hoofdstuk vermaant de apostel de Hebreeën tot volharding in de christelijke hoop, en tot lijdzaamheid in de verdrukkingen. 2 Stelt hun daartoe het voorbeeld van Christus voor, die door lijden in zijn heerlijkheid is ingegaan. 5 Ook het voorbeeld van alle ware kinderen, die niet zonder de kastijding van hun vaders zijn. 9 Wijst hun de vruchten van de kastijdingen aan. 12 Vermaant hen daarna tot herstel in hun slapheid. 14 Alsook tot vrede en heiligheid. 15 Waarschuwt hen tegen afval, en tegen hoererij en onheiligheid, met het voorbeeld van Ezau. 18 Stelt hun daartoe ook de waardigheid voor ogen van de vergadering in hemel en op aarde, waartoe zij gekomen zijn, met een tegenstelling van de vreselijkheid van alle dingen bij het geven van de wet. 25 Waarschuwt hen weer tegen afval, met een plaats ontleend aan Haggaï 2. 28 En vermaant hen tot het vasthouden aan Gods genade, met een voorstelling van de straf die over de afvalligen zal komen.

1Daarom dan ook, zo wij zo groot een wolk van de getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons licht omringt, en laat ons met volharding lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is;

2Ziende op de overste Leidsman en Voleinder van het geloof, Jezus, Die, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon van God.

3Want beschouw Deze, Die zulk een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat u niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen.

4U hebt nog tot de bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde;

5En u hebt vergeten de terechtwijzing, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de vergelding van de Heere, en bezwijkt niet, als u van Hem bestraft wordt;

6Want die de Heere liefheeft, straft Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt.

7Als u de vergelding verdraagt, zo gedraagt Zich God tegenover u als zonen; (want wat zoon is er, die de vader niet straft?)

8Maar als u zonder vergelding bent, die allen deelachtig zijn geworden, zo bent u dan bastaarden, en niet zonen.

9Verder, wij hebben de vaders van ons vlees wel tot tuchtmeesters gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer de Vader van de geesten onderworpen zijn, en leven?

10Want anderen hebben ons wel voor een korte tijd, naar dat het hun goed dacht, gestraft; maar Deze straft ons tot ons nut, opdat wij van Zijn heiligheid zouden deelachtig worden.

11En alle vergelding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van verdriet te zijn; maar daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht van de gerechtigheid van hen, die daardoor geoefend zijn.

12Daarom richt weer op de trage handen, en de slappe knieën;

13En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat wat kreupel is, niet verdraaid wordt, maar dat het veelmeer genezen wordt.

14Jaag de vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand de Heere zien zal;

15Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade van God; dat niet enige wortel van de bitterheid, omhoog spruitende, onrust veroorzaakt en daardoor velen ontreinigd worden.

16Dat niet iemand zij een ontuchtpleger, of een onheilige, zoals Ezau, die om één voedsel het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.

17Want u weet, dat hij ook daarna, de zegening willende beërven, verworpen werd; want hij vond geen plaats van het berouw, hoewel hij dezelfde met tranen zocht.

18Want u bent niet gekomen tot de tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweer,

19En tot het geklank van de bazuin, en de stem van de woorden; welke die ze hoorden, baden, dat het woord tot hen niet meer zou gedaan worden.

20(Want zij konden niet dragen, wat er geboden werd: Als ook een gedierte de berg aanraakt, het zal gestenigd of met een pijl doorschoten worden.

21En Mozes, zo vreselijk was het gezicht, zei: Ik ben geheel bevreesd en bevende).

22Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen;

23Tot de algemene vergadering en de Gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en de geesten van de volmaakte rechtvaardigen;

24En tot de Middelaar van het nieuwe testament, Jezus, en het bloed van de besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel.

25Zie toe, dat u Die, Die spreekt, niet verwerpt; want als deze niet zijn ontvlucht, die degene verwierpen, die op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veelmeer zullen wij niet ontvluchten, zo wij ons van Die afkeren, Die van de hemelen is;

26Wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu heeft Hij verkondigd, zeggende: Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook de hemel.

27En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering van de bewegelijke dingen, als die gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet bewegelijk zijn.

28Daarom, zo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door die wij welbehaaglijk voor God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.

29Want onze God is een verterend vuur.