BijbelHebreeën

Hebreeën 13

Lees Hebreeën 13 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De apostel vermaant hen tot broederlijke liefde. 2 Tot gastvrijheid. 3 Tot het gedenken van de gevangenen. 4 Verklaart dat het huwelijk eerbaar is onder allen. 5 Waarschuwt hen tegen geldgierigheid, en vermaant hen tot tevredenheid, 7 en stelt hun het voorbeeld van hun voorgangers voor. 9 Waarschuwt hen ook tegen vreemde leringen, en in het bijzonder over het onderscheid van de spijzen. 10 Stelt hun daartoe een voorbeeld voor ogen in de offeranden van de verzoening, waarvan niemand mocht eten. 15 Vermaant hen tot offeranden van dankbaarheid, in het bijzonder tot de belijdenis van de Naam van God, en tot weldadigheid. 17 En tot gehoorzaamheid aan hun voorgangers. 18 Vermaant hen God voor hem te bidden om zijn bevrijding. 20 En bidt God dat Hij hen volmaakt in alle goede werken. 22 Besluit de brief met een nieuwe vermaning. 23 En belooft dat hij hen spoedig weer zal zien met Timotheüs, en wisselt enige groeten uit.

1Dat de broederlijke liefde blijve.

2Vergeet de gastvrijheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd.

3Gedenk van de gevangenen, alsof u mee gevangen was; en van degenen, die kwalijk gehandeld worden, alsof u ook zelf in het lichaam kwalijk gehandeld was.

4Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar ontuchtplegers en overspelers zal God oordelen.

5Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en wees tevreden met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.

6Zodat wij vrijmoedig durven zeggen: De Heere is mij een Helper, en ik zal niet vrezen, wat mij een mens zal doen.

7Gedenk aan uw voorgangers, die u het Woord van God gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst van hun wandeling.

8Jezus Christus is gisteren en vandaag dezelfde en in de eeuwigheid.

9Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde onderwijzingen; want het is goed, dat het hart gesterkt wordt door genade, niet door spijzen, door welke geen nut bekomen hebben, die daarin gewandeld hebben.

10Wij hebben een altaar, van dat geen macht hebben te eten, die de tabernakel dienen.

11Want van die dieren het bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door de hogepriester, van die lichamen werden verbrand buiten de legerplaats.

12Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden.

13Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaad dragende.

14Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.

15Laat ons dan door Hem altijd voor God opofferen een offergave van lof, dat is, de vrucht van de lippen, die Zijn Naam belijden.

16En vergeet de goedertierenheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zulke offergaven heeft God een welbehagen.

17Wees uw voorgangeren gehoorzaam, en wees hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.

18Bid voor ons; want wij vertrouwen, dat wij een goed geweten hebben, als die in alles willen eerlijk wandelen.

19En ik bid u te meer, dat u dit doet, opdat ik te eerder u mag wedergegeven worden.

20De God nu van de vrede, Die de grote Herder van de schapen, door het bloed van het eeuwige testament, uit de doden heeft teruggebracht, namelijk onze Heere Jezus Christus,

21Die volmake u in elk goed werk, opdat u Zijn wil mag doen; werkende in u, wat voor Hem welbehaaglijk is, door Jezus Christus; Die zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

22Maar ik bid u, broeders, verdraagt het woord van deze terechtwijzing; want ik heb u in het kort geschreven.

23Weet, dat de broeder Timotheüs losgelaten is, met welke (zo hij haast komt) ik u zal zien.

24Groet al uw voorgangeren, en al de heiligen. U groeten die van Italië zijn.

25De genade zij met u allen. Amen.