BijbelHebreeën

Hebreeën 2

Lees Hebreeën 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Uit de leer over de voortreffelijkheid van de persoon van Christus, in het voorgaande hoofdstuk voorgesteld, trekt de apostel hier een waarschuwing, dat wij dan zorgvuldig moeten zijn om op zijn woord goed acht te geven. 5 Gaat daarna voort, en bewijst eerst de nederigheid en daarna de waardigheid van de menselijke natuur van Christus met een plaats uit de achtste Psalm. 8 En past die toe op Christus. 11 Bewijst uit nog andere plaatsen van het Oude Testament dat Hij dezelfde natuur en aandoening met ons deelachtig is. 16 En niet met de engelen. 17 En dat met dit doel, opdat Hij een getrouw en barmhartig Hogepriester voor ons zou zijn.

1Daarom moeten wij ons te meer houden aan wat van ons gehoord is, opdat wij niet te eniger tijd doorvloeien.

2Want als het woord, door de engelen gesproken, vast is geweest, en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft;

3Hoe zullen wij ontvluchten, als wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? die, begonnen zijnde verkondigd te worden door de Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen, die Hem gehoord hebben;

4God bovendien medegetuigende door tekenen, en wonderen, en allerlei krachten en bedelingen van de Heilige Geest, naar Zijn wil.

5Want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken.

6Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat U hem gedenkt, of de mensenzoon, dat U hem bezoekt!

7U hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond, en U hebt hem gesteld over de werken van Uw handen;

8Alle dingen hebt U onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij; maar nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn;

9Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God voor allen de dood smaken zou.

10Want het paste Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welke alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, de oversten Leidsman van hun zaligheid door lijden zou heiligen.

11Want en Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit één; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen.

12Zeggende: Ik zal Uw naam Mijn broeders verkondigen; in het midden van de Gemeente zal Ik U lofzingen.

13En opnieuw: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En opnieuw: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft.

14Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo daaraan deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou degene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel;

15En verlossen zou allen die met vrees voor de dood, door al hun leven, aan de dienstbaarheid onderworpen waren.

16Want werkelijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad van Abraham aan.

17Waarom Hij in alles de broeders moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden van het volk te verzoenen.

18Want in wat Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij van hen, die verzocht worden, te hulp komen.