Hebreeën 3
Lees Hebreeën 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De apostel gaat voort tot de ambten van Christus, in het bijzonder zijn profetisch en priesterlijk ambt, en spreekt daartussen ook over zijn koninklijk ambt; en hij begint met zijn profetisch ambt, en leert dat zij zijn woord gehoorzaam moeten zijn. 2 Vergelijkt Christus met Mozes, en verklaart dat Hij zoveel groter dan Mozes is als de bouwer van het huis meer is dan het huis. 5 En als de zoon van het huis meer is dan de dienaar. 7 Versterkt zijn vermaning met een soortgelijke vermaning van David tot de Israëlieten uit Psalm 95. 12 En waarschuwt de Hebreeën dat ook zij hun hart niet moeten verharden. 14 Maar in het geloof standvastig moeten blijven. 15 Legt de aangehaalde plaats van de Psalm uit, en past die toe op de Hebreeën. 17 En waarschuwt hen dat zij het voorbeeld van hun ongehoorzaamheid niet moeten volgen, als zij niet aan dezelfde straf deelachtig willen worden.
1Hierom, heilige broeders, die van de hemelse roeping deelachtig bent, beschouw de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis, Christus Jezus;
2Die getrouw is Degene, Die Hem gesteld heeft, zoals ook Mozes in geheel zijn huis was.
3Want Deze is zoveel meerder heerlijkheid waard geacht dan Mozes, als degene, die het huis gebouwd heeft, meerder eer heeft, dan het huis.
4Want een ieder huis wordt van iemand gebouwd; maar Die dit alles gebouwd heeft, is God.
5En Mozes is wel getrouw geweest in geheel zijn huis, als een dienaar, tot getuiging van de dingen, die daarna gesproken zouden worden;
6Maar Christus, als de Zoon over Zijn eigen huis; Wiens huis wij zijn, als wij maar de vrijmoedigheid en de roem van de hoop tot het einde toe vast behouden.
7Daarom, zoals de Heilige Geest zegt: Vandaag, als u Zijn stem hoort,
8Zo verhardt uw harten niet, zoals het gebeurd is in de verbittering, op de dag van de verzoeking, in de woestijn;
9Alwaar Mij uw vaders verzocht hebben; zij hebben Mij beproefd, en hebben Mijn werken gezien, veertig jaren lang.
10Daarom was Ik vertoornd over dat geslacht, en sprak: Altijd dwalen zij met het hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend.
11Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn; Als zij in Mijn rust zullen ingaan!
12Zie toe, broeders, dat niet te eniger tijd in iemand van u zij een boos, ongelovig hart, om af te wijken van de levende God;
13Maar vermaant elkaar elke dag, zolang als het vandaag genoemd wordt, opdat niet iemand uit u verhard wordt door de verleiding van de zonde.
14Want wij zijn Christus deelachtig geworden, zo wij anders het begin van deze vaste grond tot het einde toe vast behouden;
15Terwijl er gezegd wordt: Vandaag, als u Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet, zoals in de verbittering gebeurd is.
16Want sommigen, als zij die gehoord hadden, hebben Hem verbitterd, maar niet allen, die uit Egypte door Mozes uitgegaan zijn.
17Over wie nu is Hij vertoornd geweest veertig jaren? Was het niet over degenen, die gezondigd hadden, van wie de lichamen gevallen zijn in de woestijn?
18En welke heeft Hij gezworen, dat zij in Zijn rust niet zouden ingaan, anders dan van hen, die ongehoorzaam geweest waren?
19En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof.