Hebreeën 4
Lees Hebreeën 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De apostel gaat voort in de vermaning tot gehoorzaamheid aan het Evangelie, en waarschuwt hen met het voorgaande voorbeeld van de Israëlieten, die wegens hun ongelovigheid niet ingegaan zijn tot de rust van God. 4 Bewijst dat de plaats in Psalm 95 niet verstaan kan worden van de rust van de zevende dag. 6 Noch van de rust in het land Kanaän. 9 Maar van een andere rust, die door de voorgaande werd afgebeeld. 12 Versterkt zijn vermaning met de beschrijving van de doordringende kracht van Gods woord. 13 En van de alwetendheid van Christus. 14 En omdat Christus de Zoon van God is, en een groot en getrouw Hogepriester. 16 Zo vermaant hij hen dat zij met een vast vertrouwen hun toevlucht tot Hem zouden nemen.
1Laat ons dan vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn.
2Want ook ons is het Evangelie verkondigd, zoals aan hen; maar het woord van de prediking deed hun geen nut, omdat het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben.
3Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust, zoals Hij gezegd heeft: Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn: Als zij zullen ingaan in Mijn rust! hoewel Zijn werken van de grondlegging van de wereld af al volbracht waren.
4Want Hij heeft ergens van de zevende dag zo gesproken: En God heeft op de zevende dag van al Zijn werken gerust.
5En in deze plaats opnieuw: Als zij in Mijn rust zullen ingaan!
6Omdat dan blijft, dat sommigen daarin rust ingaan, en degenen, die het Evangelie eerst verkondigd was, niet ingegaan zijn vanwege de ongehoorzaamheid,
7Zo bepaalt Hij opnieuw een zekere dag, namelijk vandaag, door David zeggende, zo lange tijd daarna (zoals gezegd is): Vandaag, als u Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet.
8Want als Jozua hen in de rust gebracht heeft, zo had Hij daarna niet gesproken van een andere dag.
9Er blijft dan een rust over voor het volk van God.
10Want die ingegaan is in zijn rust, heeft zelf ook van zijn werken gerust, zoals God van de Zijne.
11Laat ons dan ons beijveren, om in die rust in te gaan; opdat niet iemand in hetzelfde voorbeeld van de ongelovigheid valle.
12Want het Woord van God is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling van de ziel, en van de geest, en van de samenvoegselen, en van het merg, en is een oordeler van de gedachten en van de overleggingen van het hart.
13En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Van Degene, met Welke wij te doen hebben.
14Omdat wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.
15Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, zoals wij, is verzocht geweest, maar zonder zonde.
16Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden op het juiste tijdstip.