BijbelHebreeën

Hebreeën 6

Lees Hebreeën 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De apostel betuigt dat hij tot de volmaaktheid wil voortgaan, en nu niet wil handelen over de eerste beginselen van de christelijke leer, waarvan hij de hoofdpunten kort verhaalt. 3 Maar dat hij dat toch bij andere gelegenheid ook wil doen. 4 Omdat het onmogelijk is dat zij die daarvan afvallen, nadat zij de gaven van de Geest gesmaakt hebben, weer vernieuwd zouden worden tot bekering. 7 Verklaart dit door een gelijkenis van vruchtbare en onvruchtbare aarde. 9 Betuigt dat hij uit de vruchten van hun liefde beter over hen denkt. 11 Maar dat hij dit zegt om hen tot naarstigheid op te wekken, en tot vaster hoop op Gods beloften. 13 Omdat God die niet alleen met woorden gegeven heeft, maar ook met een eed aan Abraham en zijn zaad bevestigd heeft. 16 Welke eed een einde maakt aan alle tegenspreken onder de mensen, veel meer dan bij God, die niet kan liegen. 19 Daarom moeten wij onze hoop, als een anker van de ziel, vastmaken in de hemel. 20 Waar Christus, onze Hogepriester, voor ons is ingegaan.

1Daarom, nalatende het begin van de leer van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvaren; niet opnieuw leggende het fundament van de bekering van dode werken, en van het geloof in God,

2Van de leer van de dopen, en van de oplegging van de handen, en van de opstanding van de doden, en van het eeuwig oordeel.

3En dit zullen wij ook doen, als het God toelaat.

4Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en van de Heilige Geest deelachtig geworden zijn,

5En gesmaakt hebben het goede woord van God, en de krachten van de toekomende eeuw,

6En afvallig worden, die, zeg ik, opnieuw te vernieuwen tot bekering, als die zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigen en openlijk te schande maken.

7Want de aarde, die de regen, dikwijls op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door wie zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God;

8Maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking, waarvan het einde tot verbranding is.

9Maar, geliefden! wij verzekeren ons van u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewel wij zo spreken.

10Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten, en de arbeid van de liefde, die u aan Zijn Naam bewezen hebt, als die de heiligen gediend hebt en nog dient.

11Maar wij begeren, dat ieder van u dezelfde ijver bewijze, tot de volle verzekerdheid van de hoop, tot het einde toe;

12Opdat u niet traag wordt, maar navolgers bent van degenen, die door geloof en geduld de beloftenissen beërven.

13Want als God aan Abraham de belofte deed, omdat Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelf,

14Zeggende: Werkelijk, zegenende zal Ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen.

15En zo, geduldig verwacht hebbende, heeft hij de belofte verkregen.

16Want de mensen zweren wel bij de meerdere dan zij zijn, en de eed tot bevestiging is dezelfde een einde van alle tegenspreken;

17Waarin God, willende de erfgenamen van de beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daartussen is gekomen;

18Opdat wij, door twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God liege, een sterke troost zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden;

19Die wij hebben als een anker van de ziel, dat zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel;

20Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in de eeuwigheid.