BijbelHebreeën

Hebreeën 7

Lees Hebreeën 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De apostel verhaalt eerst de geschiedenis van Melchizedek. 2 Met nog enige andere eigenschappen waarin hij aan de Zoon van God gelijk was. 4 Verheft hem boven Abraham, omdat Abraham, en daarmee ook Levi, hem tienden heeft gegeven, en omdat hij Abraham heeft gezegend. 11 Bewijst dat de volkomenheid niet in het priesterdom van Levi was, omdat, naar de voorzegging van David, een ander priester naar de ordening van Melchizedek moest opstaan. 14 Namelijk onze Heere, die niet uit de stam Levi is, maar uit de stam Juda. 16 Wiens wet niet zwak noch veranderlijk zou zijn, maar onveranderlijk en volmaakt. 20 Wiens priesterdom daarom ook met een eed bevestigd is. 23 En altijd duurt, omdat Hij altijd leeft. 25 En daarom ook de zijnen volkomen zalig kan maken. 26 Waaruit hij alles besluit tot de heerlijkheid en waardigheid van onze Hogepriester. 27 En de volmaaktheid van zijn offerande, die eenmaal geschiedde.

1Want deze Melchizedek was koning van Salem, een priester van de Allerhoogste God, die Abraham tegemoet ging, als hij keerde terug van het slaan van de koningen, en hem zegende;

2Aan welke ook Abraham van alles de tienden deelde; die allereerst overgezet wordt, koning van de gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, dat is een koning van de vrede;

3Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch begin van de dagen, noch einde van het leven hebbende; maar de Zoon van God gelijk geworden zijnde, blijft hij een priester in eeuwigheid.

4Let nu op, hoe groot deze geweest zij, aan die ook Abraham, de patriarch, tienden gegeven heeft uit de buit.

5En die uit de kinderen van Levi het priesterdom ontvangen, hebben wel bevel om tienden te nemen van het volk, naar de wet, dat is, van hun broeders, hoewel die uit de middel van Abraham voortgekomen zijn.

6Maar hij, die zijn geslachtsrekening uit hen niet heeft, die heeft van Abraham tienden genomen, en hem, die de beloftenissen had, heeft hij gezegend.

7Nu, zonder enig tegenspreken, wat minder is, wordt gezegend van wat meerder is.

8En hier nemen wel tienden de mensen, die sterven, maar daar neemt ze die, van welke getuigd wordt, dat hij leeft.

9En, om zo te spreken, ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tienden gegeven;

10Want hij was nog in de middel van de vader, als hem Melchizedek tegemoet ging.

11Als dan nu de volkomenheid door het Levietische priesterschap was (want onder hetzelfde heeft het volk de wet ontvangen), wat nood was het nog, dat een ander priester naar de ordening van Melchizedek zou opstaan, en die niet zou gezegd worden te zijn naar de ordening van Aäron?

12Want het priesterschap veranderd zijnde, zo gebeurt er ook noodzakelijk verandering van de wet.

13Want Hij, op Wie deze dingen gezegd worden, behoort tot een andere stam, van welke niemand zich tot het altaar begeven heeft.

14Want het is openbaar, dat onze Heere uit Juda gesproten is; op welke stam Mozes niets gesproken heeft van het priesterschap.

15En dit is nog veel meer openbaar, zo er naar de gelijkenis van Melchizedek een ander priester opstaat:

16Die dit niet naar de wet van het vleselijke gebod is geworden, maar naar de kracht van de onvergankelijken levens.

17Want Hij getuigt: U bent Priester in de eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek.

18Want de vernietiging van het voorgaande gebod gebeurt om zijn zwakheids en onprofijtelijkheids wil;

19Want de wet heeft geen ding volmaakt, maar de aanleiding van een betere hoop, door welke wij tot God naderen.

20En voor zoveel het niet zonder eedzwering is gebeurd, (want anderen zijn wel zonder eedzwering priesters geworden;

21Maar Deze met eedzwering, door Die, Die tot Hem gezegd heeft: De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: U bent Priester in de eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek).

22Van een zoveel beter verbond is Jezus Borg geworden.

23En anderen zijn wel vele priesters geworden, omdat zij door de dood verhinderd werden altijd te blijven;

24Maar Deze, omdat Hij in de eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk Priesterschap.

25Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, zo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.

26Want zulk een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden;

27Die het niet allen dag nodig was, zoals de hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtoffers op te offeren, daarna, voor de zonden van het volk; want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelf opgeofferd heeft.

28Want de wet stelt tot hogepriesters mensen, die zwakheid hebben; maar het woord van de eedzwering, die na de wet is gevolgd, stelt de Zoon, Die in de eeuwigheid geheiligd is.