Hebreeën 9
Lees Hebreeën 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Om verder de voortreffelijkheid van het priesterdom van Christus boven het Levitische aan te wijzen, beschrijft de apostel de gestalte van de uiterlijke tabernakel en van wat daarin was. 6 Alsook de dienst van de priesters daarin. 8 Verklaart dat deze slechts schaduwen en voorbeelden waren, evenals ook de reinigingen die daarin geschiedden. 11 Maar dat Christus door zijn offerande en ingang in het ware heiligdom dit alles vervuld heeft, en een eeuwige verlossing teweeggebracht heeft. 15 Betuigt dat door zijn dood het Nieuwe Testament bevestigd is. 16 Zoals de dood van de testamentmaker alle testamenten bevestigt. 18 Dat daarom ook in het Oude Testament alles met bloed werd besprengd, en dat zonder bloedstorting geen vergeving geschiedde. 23 Maar dat de hemelse dingen door betere offeranden gereinigd moesten worden. 24 Dat Christus daarom in de hemel is ingegaan, om aldaar voor ons bij God te verschijnen. 25 Nadat Hij Zichzelf op aarde eenmaal had opgeofferd. 27 En dat Hij weer uit de hemel zal komen om hen te verlossen die op Hem wachten.
1Zo had dan wel ook het eerste verbond rechten van de godsdienst, en het wereldlijk heiligdom.
2Want de tabernakel was toebereid, namelijk de eerste, waarin was de kandelaar, en de tafel, en de toonbroden, die genoemd wordt het heilige;
3Maar achter het tweede voorhangsel was de tabernakel, genoemd het heilige van de heiligen;
4Hebbende een gouden wierookvat, en de ark van het verbond, overal met goud overdekt, waarin was de gouden kruik, daar het Manna in was, en de staf van Aäron, die gebloeid had, en de tafelen van het verbond.
5En boven over deze ark waren de cherubijnen van de heerlijkheid, die het verzoendeksel beschaduwden; van welke dingen wij nu van stuk tot stuk niet zullen zeggen.
6Deze dingen nu, zo toebereid zijnde, zo gingen wel de priesters in de eerste tabernakel, altijd, om de godsdiensten te volbrengen;
7Maar in de tweede tabernakel ging alleen de hogepriester, eenmaal per jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de misdaden van het volk.
8Waarmee de Heilige Geest dit beduidde, dat de weg van het heiligdom nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog stand had;
9Die was een afbeelding voor die tegenwoordigen tijd, waarin gaven en slachtoffers geofferd werden, die degene, die de dienst pleegde, niet konden heiligen naar het geweten;
10Bestaande alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wassingen en rechtvaardigmakingen van het vlees, tot op de tijd van de verbetering opgelegd.
11Maar Christus, de Hogepriester van de toekomende goederen, gekomen zijnde, is door de meerdere en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel,
12Noch door het bloed van de bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.
13Want als het bloed van de stieren en bokken, en de as van de jonge koe, besprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinigheid van het vlees;
14Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen?
15En daarom is Hij de Middelaar van het nieuwe testament, opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening van de overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis van de eeuwige erfenis ontvangen zouden.
16Want waar een testament is, daar is het noodzaak, dat de dood van de testamentmaker tussenkome;
17Want een testament is vast in de doden, omdat het nog geen kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft.
18Waarom ook het eerste niet zonder bloed is ingewijd.
19Want als al de geboden, naar de wet van Mozes, tot al het volk uitgesproken waren, nam hij het bloed van de kalveren en bokken, met water, en purperen wol, en hysop, besprengde zowel het boek zelf, als al het volk,
20Zeggende: Dit is het bloed van het testament, dat God aan u heeft geboden.
21En hij besprengde evenzo ook de tabernakel, en al de voorwerpen van de dienst met het bloed.
22En alle dingen worden bijna door bloed gereinigd naar de wet, en zonder bloedstorting gebeurt geen vergeving.
23Zo was het dan noodzaak, dat wel de voorbeeldingen van de dingen, die in de hemelen zijn, door deze dingen gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelf door betere offergaven dan deze.
24Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, dat is een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelf, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons;
25Noch ook, opdat Hij Zichzelf dikwijls zou opofferen, zoals de hogepriester alle jaar in het heiligdom ingaat met vreemd bloed;
26(Anders had Hij dikwijls moeten lijden van de grondlegging van de wereld af) maar nu is Hij eenmaal in de voleinding van de eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijnszelfs offergave.
27En zoals het de mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel;
28Zo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen, zal voor de tweede keer zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid.