Bijbel

Henoch

Ethiopisch (Ge’ez) · 108 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)

Inleiding

Het boek Henoch (ook wel 1 Henoch genoemd) is een van de oudste Joodse geschriften buiten de Hebreeuwse Bijbel, ontstaan in de eeuwen vóór Christus. Het draagt de naam van Henoch, de zevende van Adam af (Judas :14), van wie geschreven staat dat hij met God wandelde en niet meer gezien werd, want God nam hem weg (Genesis 5:24). Het boek geeft weer wat hem in visioenen getoond zou zijn: de val van de engelen — de 'wakers' — en hun kinderen de reuzen, de geheimen van hemel en aarde, de loop van zon, maan en sterren, en vooral het komende oordeel over de goddelozen en de heerlijkheid der rechtvaardigen. Bijzonder is het middendeel, de Gelijkenissen (hoofdstuk 37 tot 71), waarin de Mensenzoon en de Uitverkorene een centrale plaats innemen. Het Nieuwe Testament haalt dit boek aan in de brief van Judas (:14-15). Van de volledige tekst is alleen de Ge'ez-vertaling (klassiek Ethiopisch) bewaard gebleven; van het oorspronkelijke Aramees zijn slechts brokstukken teruggevonden tussen de Dode Zeerollen. Alleen de Ethiopisch-Orthodoxe Kerk heeft het als heilige Schrift bewaard. Deze vertaling is rechtstreeks uit het Ge'ez gemaakt en gecontroleerd tegen de vertaling van R.H. Charles.