BijbelHenoch

Henoch 10

Lees Henoch 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1En toen sprak de Allerhoogste, de Grote en Heilige, en Hij zond Arsjelaljur tot de zoon van Lamech, en zei tot hem:

2Zeg tot hem in Mijn naam: Verberg u! En openbaar hem het einde dat komende is: dat de hele aarde vernietigd zal worden, en dat de wateren van een vloed op de hele aarde zullen komen, en dat al wat daarop is vernietigd zal worden.

3En nu, onderwijs hem hoe hij ontkomen kan, en dat zijn zaad voor de hele aarde behouden blijve.

4En opnieuw zei de Heere tot Rafaël: Bind Azazel aan zijn handen en zijn voeten, en werp hem in de duisternis; en maak een opening in de woestijn die in Dudaël is, en werp hem daarin.

5En leg op hem ruwe en scherpe stenen, en bedek hem met duisternis, en laat hem daar in eeuwigheid wonen, en bedek zijn aangezicht, opdat hij het licht niet zie.

6En op de grote dag des oordeels zal hij in de vuurgloed geworpen worden.

7En genees de aarde die de engelen verdorven hebben, en verkondig de genezing van de aarde, dat Ik de aarde genezen zal, en dat niet al de kinderen van de mensen vernietigd worden door de verborgenheid van alles wat de wachters gedood en aan hun kinderen geleerd hebben.

8En de hele aarde is verdorven door de leer van de werken van Azazel; en aan hem, schrijf al de zonde toe.

9En tot Gabriël zei God: Ga tegen de bastaarden en de verworpenen en tegen de kinderen van de hoererij, en verdelg de kinderen van de hoererij en de kinderen van de wachters uit het midden van de mensen; en breng hen voort en zend hen tegen elkander, opdat zij zelf elkander in de strijd verdelgen; want lengte van dagen hebben zij niet.

10En al smeken zij u allen, het zal hun vaderen te hun behoeve niet gegeven worden; want zij hopen het eeuwige leven te leven, en dat een ieder van hen vijfhonderd jaren leven zal.

11En tot Michaël zei God: Verkondig aan Semjaza en aan de anderen die met hem zijn, die zich met de vrouwen verenigd hebben om zich met haar in al haar onreinheid te verontreinigen.

12Wanneer al hun zonen elkander doden en wanneer zij het verderf van hun geliefden zien, bind hen dan zeventig geslachten lang onder de heuvelen van de aarde, tot de dag van hun oordeel en van hun voleinding, totdat het oordeel dat tot in alle eeuwigheid is, voleindigd is.

13En in die dagen zullen zij weggevoerd worden naar de vuurpoel, in verwelken, en in het gevangenhuis zullen zij opgesloten worden tot in alle eeuwigheid.

14En al wie van nu af aan verbrand en verdorven wordt, zal met hen tezamen gebonden worden tot de voleinding van geslacht op geslacht.

15En verdelg al de zielen van de wellustigen en de kinderen van de wachters, omdat zij de mensen verdrukt hebben.

16Verdelg alle verdrukking van het aangezicht van de aarde, en laat elk boos werk een einde nemen; en laat de plant van de gerechtigheid en van de waarheid verschijnen, en het zal een werk van de zegening worden; gerechtigheid en waarheid zullen in blijdschap geplant worden in eeuwigheid.

17En nu, al de rechtvaardigen zullen ontkomen, en zij zullen leven totdat zij duizend kinderen verwekken, en al de dagen van hun jeugd en hun sabbatten zullen zij in vrede voleindigen.

18En in die dagen zal de hele aarde in gerechtigheid bebouwd worden, en zij zal geheel en al met bomen beplant worden en met zegen vervuld zijn.

19En allerlei begeerlijke bomen zullen daarop geplant worden, en zij zullen daarop wijnstokken planten, en de wijnstok die daarop geplant wordt zal vrucht dragen tot verzadiging toe; en van al het zaad dat daarop gezaaid wordt zal één maat tienduizend voortbrengen, en één maat olijven zal tien persingen olie voortbrengen.

20En reinig u de aarde van alle verdrukking, en van alle onrecht, en van alle zonde, en van alle goddeloosheid, en van alle onreinheid die op de aarde bedreven wordt; verdelg hen van de aarde.

21En al de kinderen van de mensen zullen rechtvaardig worden, en al de heidenen zullen Mij aanbidden en Mij zegenen, en zij allen zullen zich voor Mij nederbuigen. En de aarde zal gereinigd worden van alle bederf, en van alle zonde, en van alle plaag, en van alle verwelken; en Ik zal niet opnieuw een vloed daarop zenden, tot in geslacht op geslacht en tot in eeuwigheid.