BijbelHenoch

Henoch 101

Lees Henoch 101 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1Beschouwt de hemel, u allen, kinderen des hemels, en al het werk van de Allerhoogste, en vreest Hem, en doet geen kwaad voor Zijn aangezicht.

2Als Hij de vensters des hemels sluit en de regen en de dauw weerhoudt van op de aarde neer te dalen om uwentwil, wat zult u dan doen?

3En als Hij Zijn toorn over u en over al uw daden zendt, dan zult u het niet zijn die Hem kunt smeken; want u spreekt grote en harde woorden tegen Zijn gerechtigheid: daarom zult u geen vrede hebben.

4En ziet u niet de zeevaarders van de schepen[^1], hoe hun schepen door de golven heen en weer geslingerd worden en door de winden geschud worden, en hoe zij in nood verkeren?

5En daarom vrezen zij, omdat al hun goede bezittingen met hen op de zee gaan, en zij niets goeds in hun hart bedenken, want de zee zal hen verzwelgen en zij zullen daarin vergaan.

6Is niet de hele zee en al haar wateren en al haar bewegingen het werk van de Allerhoogste, en heeft Hij niet al haar werking verzegeld en haar geheel gebonden met het zand?

7En bij Zijn bestraffing droogt zij op en vreest zij, en al haar vissen sterven, en alles wat in haar is; maar u, zondaren, die op de aarde bent, vreest Hem niet.

8Heeft Hij niet de hemel en de aarde gemaakt en alles wat daarin is? En wie heeft kennis en wijsheid gegeven aan allen die zich op de aarde bewegen en aan hen die in de zee zijn?

9Vrezen niet de zeevaarders van de schepen de zee? Maar de zondaren vrezen de Allerhoogste niet.