BijbelHenoch

Henoch 103

Lees Henoch 103 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1En nu zweer ik u, u rechtvaardigen, bij Zijn grote heerlijkheid en eer, en bij Zijn heerlijk koninkrijk en bij Zijn majesteit zweer ik u;

2want ik ken deze verborgenheid, en ik heb op de tafelen des hemels gelezen, en ik heb het geschrift van de heiligen gezien, en ik vond daarin geschreven en gegrift aangaande hen.

3Dat alle goeds en vreugde en heerlijkheid voor hen bereid is, en opgeschreven voor de geesten van hen die in gerechtigheid gestorven zijn; en dat u veel goeds gegeven zal worden als vergelding voor uw arbeid, en dat uw deel overvloedig groter is dan het deel van de levenden.

4En de geesten van u die in gerechtigheid gestorven bent, zullen leven en zich verheugen, en hun geesten zullen zich verblijden, en hun herinnering zal voor het aangezicht van de Grote blijven, voor alle geslachten van de wereld; en vreest nu hun smaad niet.

5Wee u, zondaren, wanneer u sterft in uw zonden, en zij die als u zijn over u zeggen: Zalig zijn de zondaren; al hun dagen hebben zij gezien.

6En nu, zij zijn gestorven in voorspoed en in rijkdom, en benauwdheid en moord hebben zij in hun leven niet gezien; en in eer zijn zij gestorven, en er is in hun leven geen oordeel over hen voltrokken.

7Weet aangaande hen dat hun zielen in het dodenrijk zullen neergevoerd worden, en zij zullen ellendig zijn, en hun benauwdheid zal groot zijn.

8En in duisternis en in strikken[^1] en in een brandende vlam, waar een groot oordeel is, zal uw geest binnengaan; en het grote oordeel zal zijn voor alle geslachten tot in eeuwigheid. Wee u, want u zult geen vrede hebben.

9Zegt niet aangaande de rechtvaardigen en de goeden die in het leven zijn: In de dagen van onze verdrukking hebben wij ons zwaar afgetobd en alle moeite gezien en veel kwaad ondervonden, en wij zijn verteerd en weinig geworden, en onze geest is klein geworden.

10En wij zijn te gronde gericht, en er was niemand die ons hielp met woord of daad; wij waren machteloos en vonden niets; wij werden gekweld en te gronde gericht, en wij hoopten niet van dag tot dag het leven te zien.

11Wij hoopten het hoofd te zijn, en wij werden de staart; wij zwoegden onder het werken, maar wij hadden geen macht over onze arbeid, en wij werden voedsel voor de zondaren; en de onrechtvaardigen hebben hun juk zwaar op ons gelegd.

12En zij die ons haten en ons vertrappen hebben over ons geheerst, en voor hen die ons haten hebben wij onze nek gebogen, en zij hadden geen medelijden met ons.

13En wij wilden van hen weggaan om te ontvluchten en rust te vinden, maar wij vonden geen plaats waarheen wij konden vluchten en veilig zijn voor hen.

14En wij klaagden hen aan bij de oversten[^2] in onze benauwdheid, en wij riepen tegen hen die ons verslonden, maar zij sloegen geen acht op ons geschrei en wilden onze stem niet horen.

15En zij hielpen hen die ons beroofden en verslonden, en hen die ons weinig maakten; en zij verborgen hun geweld en namen hun juk niet van ons weg; maar zij verslonden ons en verstrooiden ons en doodden ons, en zij verborgen onze moord, en zij dachten er niet aan dat zij hun handen tegen ons hadden opgeheven.