Henoch 108
Lees Henoch 108 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1Een ander boek dat Henoch schreef voor zijn zoon Methusalach en voor hen die na hem komen en de inzetting bewaren in de laatste dagen.
2U die goed gedaan hebt, wacht in deze dagen totdat er een einde gemaakt is aan hen die kwaad doen, en de macht van de overtreders ten einde is;
3maar u, wacht totdat de zonde voorbijgaat; want hun naam zal uitgewist worden uit de boeken van de heiligen, en hun zaad zal voor eeuwig vernietigd worden, en hun geesten zullen gedood worden, en zij zullen roepen en weeklagen in een plaats van woeste wildernis die onzichtbaar is, en in het vuur zullen zij branden, want daar is geen aarde.
4En ik zag daar iets als een onzichtbare wolk; want vanwege haar diepte kon ik er niet overheen zien; en ik zag een vlam van vuur die helder brandde, en dingen als heerlijke bergen die rondwentelden en heen en weer geslingerd werden.
5En ik vroeg aan een van de heilige engelen die bij mij was, en zei tot hem: Wat is dit glinsterende? Want het is geen hemel, maar slechts een vlam van laaiend vuur, en het geluid van geroep en geween en weeklacht en hevige pijn.
6En hij zei tot mij: Deze plaats die u ziet, hierheen worden geworpen de geesten van de zondaren en lasteraars, en van hen die kwaad doen, en van hen die alles verdraaien wat God gesproken heeft door de mond van de profeten, de dingen die gebeuren zullen.
7Want sommigen van hen zijn opgeschreven en gegrift boven in de hemel, opdat de engelen ze zouden lezen en weten wat de zondaren overkomen zal, en de geesten van de nederigen, en van hen die hun lichaam gekweld hebben en door God vergolden zijn, en van hen die door boze mensen te schande gemaakt zijn;
8die God liefhadden en noch goud noch zilver noch enig van de goede dingen die in de wereld zijn liefhadden, maar hun lichaam aan de verwelken overgaven;
9en die van de tijd af dat zij bestonden geen aards voedsel begeerden, maar zichzelf achtten als een adem die voorbijgaat, en dit bewaarden; en de Heere beproefde hen dikwijls, en hun geesten werden in reinheid bevonden, opdat zij Zijn naam zouden zegenen.
10En al hun zegeningen heb ik in de boeken verhaald, en Hij heeft hun beloning aan hen toebedeeld; want dezen werden bevonden de hemel meer lief te hebben dan hun eigen leven, en terwijl zij door boze mensen vertreden werden, en van hen smaad en lastering hoorden, en te schande gemaakt werden, zegenden zij Mij toch.
11En nu zal Ik de geesten van de goeden roepen uit het geslacht dat licht is, en Ik zal hen veranderen die in duisternis geboren zijn, die in hun vlees niet met eer vergolden zijn zoals hun geloof toekwam.
12En Ik zal hen in helder licht voortbrengen die Mijn heilige naam liefhebben, en Ik zal elk doen zitten op de troon van zijn eer.
13En zij zullen schitteren voor tijden zonder getal; want gerechtigheid is het oordeel van God, want aan de getrouwen geeft Hij trouw in de woning van de rechte paden.
14En zij zullen hen zien die in duisternis geboren zijn, in de duisternis geworpen worden, terwijl de rechtvaardigen schitteren.
15En de zondaren zullen roepen en hen zien schitteren, en zij zelf zullen gaan naar de plaats waar dagen en tijden voor hen zijn voorgeschreven.