Henoch 18
Lees Henoch 18 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1En ik zag de schatkamers van alle winden, en ik zag hoe Hij daarmee heel de schepping en de grondvesten van de aarde had toegerust.
2En ik zag de hoeksteen van de aarde, en ik zag de vier winden die de aarde en het uitspansel van de hemel dragen.
3En ik zag hoe de winden de hoogten van de hemel uitspannen, en zij staan tussen hemel en aarde; zij zijn de pilaren van de hemel.
4En ik zag de winden die de hemel doen wentelen, die de schijf van de zon en alle sterren doen ondergaan.
5En ik zag de winden op de aarde die de wolken dragen; en ik zag de paden van de engelen; ik zag aan het einde van de aarde het uitspansel van de hemel daarboven.
6En ik trok voort naar het zuiden, en het brandt daar dag en nacht, waar zeven bergen zijn van kostbaar gesteente, drie naar het oosten en drie naar het zuiden.
7En die naar het oosten waren, waren van gekleurd gesteente, en één van parel, en één van jacint; en die naar het zuiden waren van rood gesteente.
8Maar de middelste reikte tot aan de hemel, als de troon van God, van albast, en de top van de troon was van saffier.
9En ik zag een brandend vuur, en wat er in al die bergen was.
10En ik zag daar een plaats aan de overzijde van de grote aarde; daar verzamelen zich de wateren.
11En ik zag een diepe kloof van de aarde, met pilaren van hemels vuur, en ik zag daarin de pilaren van de hemel, die van vuur waren en nederdaalden, en zij waren zonder getal, zowel naar de hoogte als naar de diepte.
12En boven die kloof zag ik een plaats die geen uitspansel van de hemel boven zich had en geen grondvest van de aarde onder zich; er was geen water op en geen vogels, maar het was een woeste plaats.
13En iets vreselijks zag ik daar: zeven sterren als grote brandende bergen, en als een geest die mij ondervroeg.
14De engel zei: Dit is de plaats van de voleinding van hemel en aarde; deze is tot een gevangenis geworden voor de sterren van de hemel en voor het leger van de hemel.
15En de sterren die over het vuur rollen, dat zijn zij die het gebod van God hebben overtreden vanaf het begin van hun opgang, omdat zij niet op hun bestemde tijd tevoorschijn kwamen.
16En Hij werd toornig op hen en bond hen tot de tijd van de voleinding van hun zonde, in het jaar van de verborgenheid.