Henoch 36
Lees Henoch 36 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1En vandaar ging ik naar het zuiden, naar de einden van de aarde, en daar zag ik drie geopende poorten van de hemel, en daaruit gingen de zuidenwind uit, en dauw, en regen, en wind.
2En vandaar ging ik naar het oosten, naar de einden van de hemel, en daar zag ik drie geopende poorten van de hemel naar het oosten, en boven hen kleine poorten.
3Door elk van die kleine poorten trekken de sterren van de hemel voorbij, en zij gaan naar het westen op de weg die hun getoond is.
4En telkens als ik dit zag, prees ik, en te allen tijde zal ik de Heere van de heerlijkheid prijzen, Die grote en heerlijke wonderen heeft gedaan, om de grootheid van Zijn werk te tonen aan Zijn engelen en aan de zielen van de mensen, opdat zij Zijn werk zouden prijzen en heel Zijn schepping, opdat zij het werk van Zijn kracht zouden zien en het grote werk van Zijn handen zouden prijzen, en Hem zouden loven tot in eeuwigheid.