BijbelHenoch

Henoch 38

Lees Henoch 38 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1De eerste gelijkenis. Wanneer de vergadering van de rechtvaardigen zal verschijnen, en de zondaren om hun zonden geoordeeld zullen worden, en zij van het aangezicht van de aarde verdreven zullen worden;

2en wanneer de Rechtvaardige zal verschijnen voor de ogen van de rechtvaardigen, van wie de uitverkoren werken hangen aan de Heere van de geesten, en het licht zal verschijnen voor de rechtvaardigen en de uitverkorenen die op de aarde wonen: waar zal dan de woning van de zondaren zijn, en waar de rustplaats van hen die de Heere van de geesten verloochend hebben? Het ware beter voor hen geweest als zij niet geboren waren.

3En wanneer de verborgen dingen van de rechtvaardigen geopenbaard zullen worden, zullen de zondaren geoordeeld worden, en de goddelozen verdreven worden van het aangezicht van de rechtvaardigen en uitverkorenen.

4En van die tijd af zullen zij die de aarde bezitten niet meer machtig en verheven zijn, en zij zullen het aangezicht van de heiligen niet kunnen aanschouwen, want de Heere van de geesten heeft Zijn licht doen verschijnen op het aangezicht van de heiligen en rechtvaardigen en uitverkorenen.

5En de machtige koningen zullen in die tijd te gronde gaan, en overgegeven worden in de handen van de rechtvaardigen en heiligen.

6En van dan af aan is er niemand die voor zichzelf ontferming zal zoeken bij de Heere van de geesten, want hun leven is ten einde.