BijbelHenoch

Henoch 54

Lees Henoch 54 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1En ik zag en wendde mij naar een ander deel van de aarde, en ik zag daar een diep dal met brandend vuur.

2En zij brachten de koningen en de machtigen aan, en wierpen hen in het diepe dal.

3En daar zagen mijn ogen hun werktuigen, hoe men ketenen van ijzer voor hen maakte, zonder maat.

4En ik vroeg de engel des vredes die met mij ging, en zei: Deze boeien van de werktuigen, voor wie worden zij bereid?

5En hij zei tegen mij: Deze worden bereid voor de legerschare van Azazel, opdat men hen zou grijpen en hen zou werpen onder alle veroordeling, en met ruwe stenen zullen zij hun kaken bedekken, zoals de Heere van de geesten geboden heeft.

6Michaël en Gabriël, Rafaël en Fanuël, zij zullen hen grijpen op die grote dag en op die dag hen werpen in de brandende oven van vuur, opdat de Heere van de geesten aan hen wraak zou nemen om hun onrecht, omdat zij dienaren geworden waren van de satan en hen die op de aarde wonen hebben verleid.

7En in die dagen zal de straf van de Heere van de geesten uitgaan, en alle schatkamers van de wateren die boven de hemelen zijn zullen geopend worden, en de bronnen die onder de hemelen en onder de aarde zijn.

8En al de wateren zullen zich verenigen met de wateren die boven de hemelen zijn; het water dat boven de hemel is, dat is mannelijk, en het water dat onder de aarde is, dat is vrouwelijk.

9En allen die op de aarde wonen en die onder de einden van de hemel wonen zullen vernietigd worden.

10En daardoor hebben zij hun onrecht erkend dat zij op de aarde bedreven hebben, en daardoor zullen zij te gronde gaan.