Henoch 56
Lees Henoch 56 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1En ik zag daar de legerschare van de engelen van de straf, terwijl zij voortgingen en gesels van ijzer en koper vasthielden.
2En ik vroeg de engel des vredes die met mij ging, en zei: Naar wie gaan dezen die de gesels vasthouden?
3En hij zei tegen mij: Ieder naar hun uitverkorenen en hun geliefden, opdat die geworpen worden in de kloof van de diepte van het dal.
4En dan zal dat dal gevuld worden met hun uitverkorenen en hun geliefden, en de dagen van hun leven zullen ten einde komen, en de dagen van hun verleiding zullen van nu af aan niet meer geteld worden.
5En in die dagen zullen de engelen zich verzamelen en zich met hun hoofden naar het oosten werpen, naar het volk van de Parthen en van de Meden; zij zullen de koningen ophitsen, en een geest van onrust zal over hen komen, en zij zullen hen opjagen van hun tronen; en zij zullen uittrekken als leeuwen uit hun holen en als hongerige wolven te midden van hun kudde.
6En zij zullen optrekken en het land van Zijn uitverkorenen vertrappen, en het land van Zijn uitverkorenen zal voor hen worden tot een dorsvloer en een gebaande weg.
7Maar de stad van Mijn rechtvaardigen zal een hindernis worden voor hun paarden. En zij zullen onder elkaar strijd verwekken, en hun rechterhand zal sterk zijn tegen henzelf, en niemand zal zijn naaste en zijn broeder kennen, en geen zoon zijn vader en zijn moeder, totdat het getal van de lijken door hun dood en hun slachting groot wordt, en hun straf niet tevergeefs zal zijn.
8En in die dagen zal het dodenrijk zijn mond openen, en zij zullen daarin verzwolgen worden; en tot hun verderf zal het dodenrijk de zondaren verzwelgen, weg van het aangezicht van de uitverkorenen.