BijbelHenoch

Henoch 62

Lees Henoch 62 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1En zo gebood de Heere aan de koningen en aan de machtigen en aan de verhevenen en aan hen die op de aarde wonen, en Hij zei: Opent uw ogen en heft uw horens op, of u wellicht in staat bent de Uitverkorene te kennen.

2En de Heere van de geesten zette hem op de troon van Zijn heerlijkheid, en de geest van de gerechtigheid werd over hem uitgestort, en het woord van zijn mond doodt al de zondaren en al de onrechtvaardigen, en van zijn aangezicht worden zij vernietigd.

3En op die dag zullen al de koningen en de machtigen en de verhevenen en zij die het droge land in bezit houden, opstaan, en zij zullen hem zien en erkennen hoe hij zit op de troon van zijn heerlijkheid, en de rechtvaardigen in gerechtigheid voor hem geoordeeld worden, en dat geen ijdel woord voor hem gesproken wordt.

4En pijn zal over hen komen als over een vrouw in barensnood, en het baren zal haar benauwen, wanneer haar kind aan de mond van de baarmoeder komt, en zij pijn heeft in het baren.

5En zij zullen elkander aanzien, en verschrikt worden, en hun aangezicht neerslaan, en pijn zal hen aangrijpen, wanneer zij die zoon van de vrouw zien zitten op de troon van zijn heerlijkheid.

6En de koningen, de machtigen en allen die de aarde in bezit houden, zullen hem verheerlijken en zegenen en verhogen, die over alles heerst, die verborgen was.

7Want van het begin af was de Mensenzoon verborgen, en de Allerhoogste bewaarde hem in de aanwezigheid van Zijn macht, en openbaarde hem aan de uitverkorenen.

8En de gemeente van de heiligen en van de uitverkorenen zal gezaaid worden, en al de uitverkorenen zullen op die dag voor hem staan.

9En al de koningen, de machtigen en de verhevenen, en zij die het droge land regeren, zullen voor hem op hun aangezicht neervallen, en aanbidden en hun hoop stellen op die Mensenzoon, en hem smeken en barmhartigheid van hem afbidden.

10Toch zal de Heere van de geesten hen zozeer verdringen, dat zij zich haasten om van voor Zijn aangezicht heen te gaan, en hun aangezicht zal met schaamte vervuld worden, en duisternis zal zich over hun aangezicht vermeerderen.

11En de engelen van de straf zullen hen in ontvangst nemen, om wraak aan hen te oefenen, omdat zij Zijn kinderen en Zijn uitverkorenen verdrukt hebben.

12En zij zullen een schouwspel zijn voor de rechtvaardigen en voor Zijn uitverkorenen; dezen zullen zich over hen verblijden, omdat de toorn van de Heere van de geesten op hen rust, en het zwaard van de Heere van de geesten dronken is van hen.

13En de rechtvaardigen en de uitverkorenen zullen op die dag behouden worden, en zij zullen van toen af het aangezicht van de zondaren en de onrechtvaardigen niet meer zien.

14En de Heere van de geesten zal over hen blijven, en met die Mensenzoon zullen zij wonen en eten en zich neerleggen en opstaan tot in alle eeuwigheid.

15En de rechtvaardigen en de uitverkorenen zullen van de aarde opgestaan zijn, en opgehouden hebben hun aangezicht neer te slaan, en zij zullen het kleed des levens aangedaan hebben.

16En dit zal het kleed des levens zijn van de Heere van de geesten; en uw kleren zullen niet verouderen, en uw heerlijkheid zal niet vergaan voor het aangezicht van de Heere van de geesten.