Henoch 63
Lees Henoch 63 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1In die dagen zullen de koningen en de machtigen die het droge land in bezit houden, de engelen van Zijn straf smeken, aan wie zij overgeleverd waren, dat Hij hun een kleine rust zou geven, en opdat zij zouden neervallen en aanbidden voor de Heere van de geesten, en hun zonden voor Hem belijden.
2En zij zullen de Heere van de geesten zegenen en verheerlijken, en zeggen: Gezegend is Hij, de Heere van de geesten en de Heere van de koningen, de Heere van de machtigen en de Heere van de rijken, en de Heere van de heerlijkheid en de Heere van de wijsheid.
3En alle verborgen ding wordt verlicht; en Uw macht is van geslacht tot geslacht, en Uw heerlijkheid tot in alle eeuwigheid; diep zijn al Uw verborgenheden en zonder getal, en Uw gerechtigheid is niet te berekenen.
4Nu hebben wij ingezien dat wij de Heere van de koningen behoren te verheerlijken en te zegenen, en Hem die over alle koningen regeert.
5En zij zullen zeggen: Och, dat iemand ons rust gegeven had, opdat wij Hem zouden verheerlijken en danken en zegenen, en geloven zouden voor Zijn heerlijkheid!
6En nu verlangen wij naar een kleine rust, maar vinden haar niet; wij jagen haar na en grijpen haar niet; en het licht is van voor ons weggegaan, en de duisternis is onze woonplaats tot in alle eeuwigheid.
7Want wij hebben voor Zijn aangezicht niet geloofd, en de Naam van de Heere van de koningen niet verheerlijkt, en wij hebben de Heere niet verheerlijkt in al Zijn werk; maar onze hoop was op de scepter van ons koninkrijk en op onze heerlijkheid.
8En op de dag van onze verwelken en onze benauwdheid verlost Hij ons niet, en wij vinden geen rust om te belijden dat onze Heere waarachtig is in al Zijn werk en in al Zijn oordeel en Zijn gerechtigheid, en dat Zijn oordeel geen aanzien des persoons kent.
9En wij gaan van Zijn aangezicht weg vanwege onze werken, en al onze zonden worden in gerechtigheid opgeteld.
10Nu zullen zij tot zichzelf zeggen: Onze ziel is verzadigd van goederen van onrecht, maar dat weerhoudt ons niet neer te dalen in de vlam van de zwaarte van het dodenrijk.
11En daarna zal hun aangezicht met duisternis en schaamte vervuld worden voor die Mensenzoon, en van voor zijn aangezicht zullen zij verdreven worden, en het zwaard zal voor zijn aangezicht in hun midden verblijven.
12En zo zei de Heere van de geesten: Dit is de inzetting en het oordeel over de machtigen en de koningen en de verhevenen en over hen die het droge land in bezit houden, voor het aangezicht van de Heere van de geesten.