Henoch 74
Lees Henoch 74 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1En ik zag nog een andere loop en een inzetting voor haar, waardoor zij naar die inzetting haar loop van de maanden volbrengt.
2En dit alles toonde Uriël mij, de heilige engel die hun leidsman is over hen allen, en hun standplaatsen; en ik schreef het op zoals hij het mij toonde, en ik schreef hun maanden op zoals zij waren, en de verschijning van hun licht, totdat er vijftien dagen voleindigd waren.
3In enkele zevende delen volbrengt zij al haar licht in het oosten, en in enkele zevende delen volbrengt zij al haar duisternis in het westen.
4En in sommige maanden verandert zij haar ondergangen, en in sommige maanden gaat zij haar eigen loop alleen.
5En in twee maanden gaat zij onder met de zon, in die twee poorten die in het midden zijn, in de derde en in de vierde poort.
6Zij gaat uit voor zeven dagen en keert om en komt weer terug door de poort waaruit de zon opgaat; en daarin volbrengt zij al haar licht, en zij wijkt van de zon, en zij gaat na acht dagen in door de zesde poort waaruit de zon uitgaat.
7En wanneer de zon uitgaat uit de vierde poort, gaat zij zeven dagen uit, totdat zij uitgaat uit de vijfde, en zij keert weer in zeven dagen terug in de vierde poort, en zij volbrengt al haar licht, en zij wijkt en gaat in door de eerste poort in acht dagen.
8En zij keert weer terug in zeven dagen in de vierde poort, waaruit de zon uitgaat.
9Zo zag ik hun standplaats, hoe naar de orde van hun maanden de zon opgaat en ondergaat.
10En in die dagen, wanneer vijf jaren worden samengevoegd, komen er voor de zon dertig dagen bij; en al de dagen die haar toevallen voor één jaar uit die vijf jaren, wanneer zij vol zijn, worden driehonderdvierenzestig dagen.
11En het toevallende van de zon en van de sterren bedraagt zes dagen; in vijf jaren, zes voor elk, komen er dertig dagen bij; en de maan blijft achter bij de zon en bij de sterren dertig dagen.
12En de maan brengt de jaren nauwkeurig in, zij allen, zodat hun standplaats in eeuwigheid niet vervroegt noch verlaat, ook niet één dag, maar zij wisselen het jaar in gerechtigheid, nauwkeurig, met driehonderdvierenzestig dagen elk.
13Voor drie jaar zijn haar dagen duizendtweeënnegentig, en voor vijf jaren achttienhonderdtwintig dagen, zodat het voor acht jaren tweeduizendnegenhonderdtwaalf dagen zijn.
14Voor de maan alleen komen haar dagen voor drie jaar op duizendtweeënzestig dagen, en voor vijf jaren blijft zij vijftig dagen achter, want bij haar uitgaan wordt er bij de zeventienhonderdzeventig nog tweeënzestig dagen toegedaan.
15En voor vijf jaren zijn er zeventienhonderdzeventig dagen, zodat voor de maan de dagen in acht jaren tweeduizendachthonderdtweeëndertig dagen zijn.
16Want de mindering voor acht jaren is tachtig dagen, en al de dagen die zij in acht jaren achterblijft, zijn tachtig.
17En het jaar wordt nauwkeurig voleindigd naar hun wereldstandplaatsen en de standplaatsen van de zon, die opgaan uit de poorten waaruit zij opgaat en ondergaat, dertig dagen.