Henoch 91
Lees Henoch 91 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1En nu, mijn zoon Methusalach, roep tot mij al uw broederen, en vergader tot mij al de zonen van uw moeder; want een stem roept mij, en de geest is over mij uitgestort, opdat ik u alles zou tonen wat u overkomen zal tot in eeuwigheid.
2En daarna ging Methusalach, en riep al zijn broederen tot zich, en vergaderde zijn bloedverwanten.
3En hij sprak tot al zijn kinderen de gerechtigheid, en zei: Hoort, zonen van Henoch, al de woorden van uw vader, en luistert aandachtig naar de woorden van mijn mond; want ik betuig u en zeg u, mijn geliefden: Hebt de oprechtheid lief, en wandelt daarin.
4En nadert niet tot de oprechtheid met een dubbel hart, en vergezelschapt u niet met hen die een dubbel hart hebben; maar wandelt in gerechtigheid, mijn kinderen, en zij zal u leiden op goede paden, en de gerechtigheid zal uw metgezel zijn.
5Want ik weet dat het geweld op de aarde bestendig zal toenemen, en dat een grote kastijding op de aarde voltrokken zal worden, en dat al het onrecht een einde zal nemen; ja, het zal van zijn wortels afgehouwen worden, en heel zijn bouwsel zal voorbijgaan.
6En het onrecht zal opnieuw volgroeien, en op de aarde zal al het werk van onrecht, en het werk van geweld, en de overtreding, voor de tweede keer voltooid worden.
7En wanneer het onrecht en de zonde en de godslastering en het geweld in allerlei werk toenemen, en de afval en de overtreding en de onreinheid opgroeien, zal er een grote kastijding uit de hemel over hen allen komen, en de heilige Heere zal voortkomen in toorn en in kastijding, om gericht te oefenen op de aarde.
8In die dagen zal het geweld van zijn wortels afgehouwen worden, en de wortels van het onrecht met het bedrog, en zij zullen vernietigd worden van onder de hemel.
9En alles zal met de heidenen overgegeven worden; een toren zal in vuur branden, en men zal hen uit heel de aarde uitdrijven, en zij zullen in het gericht des vuurs geworpen worden, en omkomen in toorn en in een zwaar gericht, dat tot in eeuwigheid is.
10En de rechtvaardige zal opstaan uit de slaap, en de wijsheid zal opstaan en hun gegeven worden.
11En daarna zullen de wortels van het onrecht afgehouwen worden, en de zondaren zullen door het zwaard vernietigd worden; van de godslasteraars zullen zij in alle plaats afgehouwen worden, en die het geweld beramen en die de godslastering bedrijven, zullen door het slagzwaard omkomen.
12En daarna zal er een andere, de achtste week zijn, die van de gerechtigheid, en haar zal een zwaard gegeven worden, opdat een rechtvaardig gericht geoefend worde over hen die geweld doen, en de zondaren zullen in de handen van de rechtvaardigen overgegeven worden.
13En bij haar voleinding zullen zij door hun gerechtigheid huizen verwerven, en er zal een huis gebouwd worden voor de grote Koning, tot heerlijkheid, tot in eeuwigheid.
14En daarna, in de negende week, zal het rechtvaardig gericht aan de hele wereld geopenbaard worden, en al het werk van de goddelozen zal van heel de aarde verdwijnen, en de wereld zal ten verderve opgeschreven worden, en alle mensen zullen zien op de weg van de oprechtheid.
15En na dezen, in de tiende week, in het zevende deel, zal het eeuwige gericht zijn, en het zal aan de wachters voltrokken worden; en de grote eeuwige hemel zal ontspruiten uit het midden van de engelen.
16En de eerste hemel zal heengaan en voorbijgaan, en een nieuwe hemel zal verschijnen, en al de krachten van de hemelen zullen zevenvoudig lichten tot in eeuwigheid.
17En daarna zullen er vele weken zijn, zonder getal, tot in eeuwigheid, in goedheid en in gerechtigheid; en van toen af zal de zonde niet meer genoemd worden tot in eeuwigheid.
18En nu zeg ik u, mijn kinderen, en toon ik u de paden van de gerechtigheid en de paden des gewelds; en ik zal ze u opnieuw tonen, opdat u weet wat komen zal.
19En nu, hoort naar mij, mijn kinderen, en wandelt in de paden van de gerechtigheid, en wandelt niet in de paden des gewelds; want allen die op de weg des onrechts wandelen, zullen omkomen tot in eeuwigheid.