BijbelHenoch

Henoch 93

Lees Henoch 93 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1En daarna gebeurde het met Henoch, en hij begon te spreken uit de geschriften. En Henoch zei: Aangaande de kinderen van de gerechtigheid, en aangaande de uitverkorenen van de wereld, en aangaande de plant van de gerechtigheid en van de oprechtheid—deze dingen zal ik u zeggen en u verkondigen, mijn kinderen.

2Ik, Henoch, heb door wat mij getoond werd uit het gezicht des hemels, en door de stem van de heilige engelen, dit gekend, en uit de hemelse tafelen heb ik het verstaan.

3En Henoch begon verder te spreken uit de boeken, en zei: Ik werd als de zevende geboren in de eerste week, terwijl het gericht en de gerechtigheid nog stand hielden.

4En na mij zal in de tweede week grote boosheid opstaan, en het bedrog zal opgesproten zijn; en in haar zal het eerste einde zijn, en in haar zal een mens behouden worden; en nadat zij voleindigd is, zal het onrecht opgroeien, en er zal een inzetting voor de zondaren gemaakt worden.

5En daarna, in de derde week, bij haar voleinding, zal een mens verkoren worden tot de plant van het rechtvaardig gericht, en na hem zal de plant van de gerechtigheid komen tot in eeuwigheid.

6En daarna, in de vierde week, bij haar voleinding, zullen de gezichten van de heiligen en van de rechtvaardigen gezien worden, en een wet voor alle geslachten, en een omheining zal voor hen gemaakt worden.

7En daarna, in de vijfde week, bij haar voleinding, zal het huis van de heerlijkheid en van de heerschappij gebouwd worden tot in eeuwigheid.

8En daarna, in de zesde week, zullen allen die daarin zijn, verblind worden, en het hart van hen allen zal de wijsheid vergeten; en in haar zal een mens opklimmen; en bij haar voleinding zal het huis van de heerschappij met vuur verbrand worden, en in haar zal heel het geslacht van de uitverkoren wortel verstrooid worden.

9En daarna, in de zevende week, zal er een afvallig geslacht opstaan, en vele zullen zijn daden zijn, en al zijn daden zullen afval zijn.

10En bij haar voleinding zullen de uitverkoren rechtvaardigen beloond worden uit de eeuwige plant van de gerechtigheid, aan wie zevenvoudige onderwijzing gegeven zal worden aangaande heel Zijn schepping.

11Want wie is er onder al de kinderen van de mensen die de stem des Heiligen kan horen en niet ontsteld wordt? En wie is er die Zijn gedachten kan denken? En wie is er die al het werk des hemels kan aanschouwen?

12En wat is er dat het werk des hemels kan verstaan, en hoe zou hij zijn ziel, of anders zijn geest, zien en daarvan kunnen spreken; of hoe zou hij opklimmen en al hun uiteinden zien, en ze bedenken, of gelijk hen doen?

13En wie is er onder alle mensen die kan verstaan hoe groot de breedte en de lengte van de aarde is? En aan wie is de maat van dit alles getoond?

14Of is er enig mens die de lengte des hemels kan verstaan, en hoe groot zijn hoogte is, en waarop hij gegrond is, en hoe groot het getal van de sterren is, en waar al de lichten rusten?