Henoch 99
Lees Henoch 99 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1Wee hun die goddeloosheid bedrijven, en die leugentaal prijzen en verheerlijken: u zult vergaan, en geen goed leven zal het uwe zijn.
2Wee u die de woorden van de oprechtheid verdraait, en de eeuwige inzetting overtreedt, en zichzelf maakt tot wat zij niet waren, tot zondaren: op de aarde zullen zij vertreden worden.
3In die dagen, maakt u gereed, u rechtvaardigen, om uw gebeden op te heffen als een herinnering, en legt hen als een getuigenis voor de engelen, opdat zij de zonde van de zondaren tot een herinnering voor de Allerhoogste zullen leggen.
4In die dagen zullen de heidenen in beroering geraken, en de geslachten van de heidenen zullen opstaan op de dag van verderf.
5En in die dagen zullen zij die in nood zijn uitgaan en hun kinderen wegvoeren en hen verlaten, zodat hun kinderen door hen zullen omkomen; ja, terwijl zij nog zuigen zullen zij hen verlaten en niet tot hen terugkeren, en zij zullen geen medelijden hebben met hun geliefden.
6Opnieuw zweer ik u, u zondaren, dat de zonde bereid is voor een dag van onophoudelijk bloedvergieten.
7En zij die stenen aanbidden, en zij die gesneden beelden houwen van goud en van zilver en van hout en van klei, en zij die onreine geesten en boze geesten en allerlei afgoden aanbidden, en dat in heiligdommen[^1]: geen enkele hulp zal bij die gevonden worden.
8En zij zullen zich verliezen vanwege de dwaasheid van hun hart, en hun ogen zullen verblind worden door de vrees van hun hart en door de gezichten van hun dromen.
9Daardoor zullen zij goddeloos en vreesachtig worden; want al hun werk hebben zij in leugen gedaan, en zij hebben een steen aanbeden: daarom zullen zij in een ogenblik vergaan.
10Maar in die dagen zijn zalig al degenen die de woorden van de wijsheid aannemen, en die verstaan, en de wegen van de Allerhoogste betrachten, en wandelen op het pad van de gerechtigheid, en niet goddeloos worden met de goddelozen; want zij zullen behouden worden.
11Wee u die kwaad uitspreidt over uw naaste; want in het dodenrijk zult u gedood worden.
12Wee u die het fundament van zonde en bedrog legt[^2], en die bitterheid brengen op de aarde; want daardoor zullen zij verteerd worden.
13Wee u die uw huizen bouwt door de zware arbeid van anderen, en al hun bouwwerk is metselwerk en steen van de zonde; ik zeg u dat u geen vrede zult hebben.
14Wee hun die de maat en het eeuwige erfdeel van hun vaderen verachten, en hun ziel doen navolgen achter afgoden; want er zal voor hen geen rust zijn.
15Wee hun die onrecht bedrijven en geweld helpen, en hun naaste doden tot de dag van het grote oordeel.
16Want Hij zal uw heerlijkheid neerwerpen, en kwaad brengen in uw hart, en de geest van Zijn toorn opwekken, om u allen met het zwaard te verdelgen; en alle rechtvaardigen en heiligen zullen uw zonden gedenken.