Hooglied 1
Lees Hooglied 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
In dit hoofdstuk wordt ons allereerst beschreven het grote verlangen van de Kerk naar Christus' genade, vers 1, enz.; haar uiterlijk verachtelijke gestalte, maar innerlijke schoonheid, 5; alsook haar gevaar onder de valse broeders, 6; en haar verlangen naar Christus, 7. Een vertroosting en onderrichting van Christus aan zijn Gemeente, 8; de grote blijdschap van de Bruid vanwege de liefde van Christus tot haar, 12; het welbehagen van Christus in zijn Gemeente, 15; en de liefde van de Gemeente tot haar Bruidegom, 16.
1Het Hooglied, dat van Salomo is.
2Hij kusse mij met de kussen van Zijn mond; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn.
3Uw oliën zijn goed tot reuk, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief.
4Trek mij, wij zullen U nalopen! De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan de wijn; de oprechten hebben U lief.
5Ik ben zwart, maar liefelijk (u dochters van Jeruzalem!), zoals de tenten van Kedar, zoals de gordijnen van Salomo.
6Zie mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen; de kinderen van mijn moeder waren tegen mij ontstoken, zij hebben mij gezet tot een hoederin van de wijngaarden. Mijn wijngaard, die ik heb, heb ik niet gehoed.
7Zeg mij aan, U, Die mijn ziel liefheeft, waar U weidt, waar U de kudde legert in de middag; want waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden van Uw metgezellen?
8Als u het niet weet, o u schoonste onder de vrouwen! zo ga uit op de voetstappen van de schapen, en weid uw geiten bij de woningen van de herders.
9Mijn vriendin! Ik vergelijk u bij de paarden aan de wagens van Farao.
10Uw wangen zijn liefelijk tussen de kettinkjes, uw hals in de parelsnoeren.
11Wij zullen u gouden kettinkjes maken, met zilveren stipjes.
12Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel is, geeft mijn nardus zijn reuk.
13Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten overnacht.
14Mijn Liefste is mij een tros van Cyprus, in de wijngaarden van En-gedi.
15Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! Zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen.
16Zie, u bent schoon, mijn Liefste, ja, liefelijk; ook groent onze bedstede.
17De balken van onze huizen zijn cederen, onze galerijen zijn cipressen.