Hooglied 2
Lees Hooglied 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De waardigheid van Christus, vers 1, en van zijn Gemeente, 2. De zorg van Christus over zijn Bruid, en de troost die zij van Hem ontvangt, 3. Een opwekking tot openbare belijdenis van Christus, omdat de winter van de vervolging voorbij was, 11. Waarschuwing tegen de heimelijke vijanden van de kerk, 15; onderlinge liefde tussen de Bruidegom en de Bruid, 16.
1Ik ben een Roos van Saron, een Lelie van de dalen.
2Gelijk een lelie onder de doornen, zo is Mijn vriendin onder de dochters.
3Als een appelboom onder de bomen van het woud, zo is mijn Liefste onder de zonen; ik heb grote lust in Zijn schaduw, en zit er onder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet.
4Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij.
5Ondersteun u mij met de flessen, versterkt mij met de appelen, want ik ben ziek van liefde.
6Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.
7Ik bezweer u, u, dochters van Jeruzalem! die bij de reeën, of bij de hinden van het veld bent, dat u die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, voordat het haar luste!
8Dat is de stem van mijn Liefste, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen!
9Mijn Liefste is gelijk een ree, of een welp van de herten; zie, Hij staat achter onze muur, kijkende uit de vensters, blinkende uit de tralies.
10Mijn Liefste antwoordt, en zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom!
11Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan;
12De bloemen worden gezien in het land, de zangtijd nadert, en de stem van de tortelduif wordt gehoord in ons land.
13De vijgeboom brengt zijn jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes. Sta op, Mijn vriendin! Mijn schone, en kom!
14Mijn duif, zijnde in de kloven van de steenrotsen, in het verborgene van een steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk.
15Vang u ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven, want onze wijngaarden hebben jonge druifjes.
16Mijn Liefste is van mij, en ik ben van Hem, Die weidt onder de leliën,
17Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vluchten; keer om, mijn Liefste! wordt U gelijk een ree, of een welp van de herten, op de bergen van Bether.