BijbelHooglied

Hooglied 4

Lees Hooglied 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De Bruidegom prijst de Bruid vanwege haar schoonheid, vers 1, enz. Hij geeft te kennen dat Hij een tijd lang van haar verwijderd zal zijn, 6. Hij roept haar, dat zij tot Hem afkomt, 8, en betuigt zijn liefde tot haar, 9, terwijl Hij haar nog verder prijst, 10. De Bruid bidt haar Bruidegom, dat Hij snel tot haar wil komen, en door zijn Heilige Geest krachtig in haar wil werken, opdat zij vruchten draagt die Hem aangenaam mogen zijn, 15.

1Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gileads afscheren.

2Uw tanden zijn als een kudde schapen, die geschoren zijn, die uit de wasstede opkomen; die al samen tweelingen voortbrengen, en geen onder hen is jongeloos.

3Uw lippen zijn als een scharlaken snoer, en uw spraak is liefelijk; de slaap van uw hoofd is als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten.

4Uw hals is als Davids toren, die gebouwd is tot ophanging van wapentuig, waar duizend grote schilden aan hangen, allemaal zijnde schilden van de helden.

5Uw twee borsten zijn gelijk twee welpen, tweelingen van een ree, die onder de leliën weiden.

6Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vluchten, zal Ik gaan tot de mirreberg, en tot de wierookheuvel.

7Geheel bent u schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u.

8Bij Mij van de Libanon af, o bruid! kom bij Mij van de Libanon af; zie van de top van Amana, van de top van Senir en van Hermon, van de woningen van de leeuwinnen, van de bergen van de luipaarden.

9U hebt Mij het hart genomen, Mijn zus, o bruid! u hebt Mij het hart genomen, met één van uw ogen, met één keten van uw hals.

10Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zus, o bruid! hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan wijn, en de reuk van uw oliën dan alle specerijen!

11Uw lippen, o bruid! druppen van honigzeem; honing en melk is onder uw tong, en de reuk van uw kleren is als de reuk van Libanon.

12Mijn zus, o bruid! u bent een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein.

13Uw scheuten zijn een paradijs van granaatappels, met edele vruchten, cyprus met nardus;

14Nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloë, en ook alle voornaamste specerijen.

15O fontein van de hoven, put van de levende wateren, die uit Libanon vloeien!

16Ontwaak, noordenwind! en kom, U zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten!