BijbelHooglied

Hooglied 5

Lees Hooglied 5 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Hier antwoordt de Bruidegom op de uitnodiging van de Bruid, hoofdstuk 4:16, en geeft te kennen dat Hij een bijzonder welbehagen heeft in de vruchten van de Bruid, vers 1. Zij erkent dat zij eens verzuimd heeft haar Bruidegom binnen te laten, 2; maar dat, toen zij daarna opgestaan was om Hem binnen te laten, 5, Hij weggegaan was, wat haar zeer bedroefde, 6; in welke ellende zij geraakt was toen zij Hem zocht, 7. Zij geeft haar gezellinnen haar uitnemend grote liefde tot Hem te kennen, 8, met een beschrijving van zijn schone gestalte, 10.

1Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zus, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honing gegeten; Ik heb Mijn wijn, en ook Mijn melk gedronken. Eet, vrienden! drink, en wordt dronken, o liefsten!

2Ik sliep, maar mijn hart waakte, de stem van mijn Liefste, Die klopte, was: Doe Mij open, Mijn zus, Mijn vriendin, Mijn duif, Mijn volmaakte! want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen.

3Ik heb mijn rok uitgetogen, hoe zal ik hem weer aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weer bezoedelen?

4Mijn Liefste trok Zijn hand van het gat van de deur; en mijn binnenste werd ontroerd om Zijnentwil.

5Ik stond op, om mijn Liefste open te doen; en mijn handen drupten van mirre, en mijn vingers van vloeiende mirre, op de handvaten van het slot.

6Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken, Hij was doorgegaan; mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet, ik riep Hem, maar Hij antwoordde mij niet.

7De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij, zij sloegen mij, zij verwondden mij; de wachters op de muren namen mijn sluier van mij.

8Ik bezweer u, u dochters van Jeruzalem! als u mijn Liefste vindt, wat zult u Hem aanzeggen? Dat ik ziek ben van liefde.

9Wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, o u schoonste onder de vrouwen! wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, dat u ons zo bezworen hebt!

10Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tien duizend.

11Zijn hoofd is van het fijnste goud, van het dichtste goud; Zijn haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf.

12Zijn ogen zijn als van de duiven bij de waterstromen, met melk gewassen, staande als in kasjes van de ringen.

13Zijn wangen zijn als een bed van specerijen, als geurende torentjes; Zijn lippen zijn als leliën, druppende van vloeiende mirre.

14Zijn handen zijn als gouden ringen, gevuld met turkoois; Zijn buik is als blinkend elpenbeen, overtogen met saffieren.

15Zijn benen zijn als marmeren pilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud; Zijn gestalte is als de Libanon, uitverkoren als de cederen.

16Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is geheel begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend, u dochters van Jeruzalem!