BijbelHooglied

Hooglied 8

Lees Hooglied 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De Bruid wenst dat de Bruidegom in het vlees mocht verschijnen en bij haar wonen, vers 1, enz. Een verwondering vanwege de opgang van de Kerk, 5; wens van de Bruid om verzekering te mogen hebben van de liefde van haar Bruidegom tot haar, 6, enz. Daarna spreekt de Bruid over haar jonge zuster, dat is, over de Gemeente uit de heidenen, 8; antwoord daarop, 9; daarmee stelt de Bruid zich gerust en tevreden, 10. De zorg die de Bruidegom zelf over zijn wijngaard draagt, 11, enz. Maar Hij wil ook door anderen verkondigd worden, 13. De Bruid verlangt naar de spoedige verschijning van haar Bruidegom, 14.

1Och, dat U mij als een Broeder was, zuigende de borsten van mijn moeder! dat ik U op de straat vond, ik zou U kussen, ook zouden zij mij niet verachten.

2Ik zou U leiden, ik zou U brengen in het huis van mijn moeder, U zou mij leren; ik zou U van specerijwijn te drinken geven, en van het sap van mijn granaatappels.

3Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.

4Ik bezweer u, u dochters van Jeruzalem! dat u die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, voordat het haar lust!

5Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste? Onder de appelboom heb ik u opgewekt, daar heeft u uw moeder met smart voortgebracht, daar heeft zij u met smart voortgebracht, die u gebaard heeft.

6Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm; want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen van JAHWEH.

7Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem te enenmale verachten.

8Wij hebben een kleine zus, die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zus doen in die dag, als men van haar spreken zal?

9Zo zij een muur is, wij zullen een paleis van zilver op haar bouwen; en zo zij een deur is, wij zullen haar rondom bezetten met cederen planken.

10Ik ben een muur en mijn borsten zijn als torens. Toen was ik in Zijn ogen als een, die vrede vindt.

11Salomo had een wijngaard, te Baäl-hamon; hij gaf deze wijngaard aan de hoeders, een ieder bracht voor de vrucht daarvan duizend zilverlingen.

12Mijn wijngaard, die ik heb, is voor mijn aangezicht; de duizend zilverlingen zijn voor u, o Salomo! maar tweehonderd zijn voor de hoeders van de vrucht daarvan.

13O u bewoonster van de hoven! de metgezellen merken op uw stem; doe ze Mij horen.

14Kom haastig, mijn Liefste! en wees U gelijk een ree, of gelijk een welp van de herten op de bergen van de specerijen.