Bijbel

Hosea

Oude Testament · 14 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)

Inleiding

De profeet Hosea is (evenals Amos en meer anderen) in het bijzonder door God gezonden tot het koninkrijk Israël, ofwel de tien stammen (hoewel ondertussen ook Juda meermaals door hem bestraft wordt). Onder hen heeft hij, als een bewijs van Gods grote lankmoedigheid en trouw, lange tijd geprofeteerd, zoals in hoofdstuk 1 vers 1 te zien is. De Heilige Geest heeft gewild dat de samenvatting hiervan voor de kerk van God in dit boek op schrift werd nagelaten. Het bevat allereerst profetische afbeeldingen en zeer scherpe bestraffingen van de zondige en vervallen staat van het hele koninkrijk, vooral van de snode afgoderij met de gouden kalveren. Die waren ten tijde van Rehabeam, de zoon van Salomo, opgericht door hun eerste eigenmachtig aangestelde koning, Jerobeam de zoon van Nebat, toen Israël zich voor het eerst van Juda en de ware godsdienst afscheidde (1 Kon. 12:27, 28 enz.). Daarop is verder een afschuwelijke heidense losbandigheid gevolgd, en als het ware een overstromende vloed van allerlei zonden, zowel tegen de eerste als tegen de tweede tafel van Gods wet, en dat onder mensen van alle rang en stand, die daarover door God via deze profeet heftig worden bestraft, met talrijke en zeer aangrijpende vermaningen en oproepen tot oprechte en tijdige bekering. Maar omdat de goddeloosheid en hardnekkigheid, van de koningen af tot de geringsten van het volk toe, dagelijks toenam en de overhand kreeg, wordt hun ten tweede de volledige verwoesting en ondergang van hun rijk en staat geprofeteerd, de wegvoering in gevangenschap naar Assyrië, en ook een zeer langdurige verlaten toestand onder de heidense volken. Ten derde worden de boetvaardigen en gelovigen getroost met prachtige beloften van Gods genade in hun hemelse koning, Jezus Christus, tot wie alle uitverkorenen, niet alleen uit Israël maar ook uit de heidenen, zich zouden bekeren en in hem eeuwig gezegend en gelukzalig zijn.