BijbelHosea

Hosea 1

Lees Hosea 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Wanneer Hosea geprofeteerd heeft, vers 1. op Gods bevel beeldt hij Israëls geestelijke hoererij en Gods oordelen af, door het trouwen van Gomer, 2. en verwekt bij haar Jizreël, 4. Lo-Ruchama, 6, en Lo-Ammi, 8. Evenwel belooft God Zijn kerk door de Messias heerlijk weer op te richten uit Joden en heidenen, 10.

1Het woord van JAHWEH, dat gebeurd is tot Hosea, de zoon van Beëri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia, koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël.

2Het begin van het woord van JAHWEH door Hosea. JAHWEH dan zei tot Hosea: Ga heen, neem u een vrouw van de hoererijen, en kinderen van de hoererijen; want het land hoereert geheel van achter JAHWEH.

3Zo ging hij heen, en nam Gomer, een dochter van Diblaim; en zij ontving; en baarde hem een zoon.

4En JAHWEH zei tot hem: Noem zijn naam Jizreël, want nog een korte tijd, zo zal Ik de bloedschulden van Jizreël bezoeken over het huis van Jehu, en zal het koninkrijk van het huis van Israël doen ophouden.

5En het zal op die dag gebeuren, dat Ik Israëls boog verbreken zal, in het dal van Jizreël.

6En zij ontving opnieuw, en baarde een dochter; en Hij zei tot hem: Noem haar naam Lo-ruchama; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis van Israël, maar Ik zal ze zeker wegvoeren.

7Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en zal ze verlossen door JAHWEH, hun God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door strijd, door paarden noch door ruiteren.

8Als zij nu Lo-ruchama gespeend had, ontving zij, en baarde een zoon.

9En Hij zei: Noem zijn naam Lo-ammi; want u bent Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn.

10Toch zal het getal van de Israëlieten zijn als het zand van de zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal gebeuren dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: U bent Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: U bent kinderen van de levende God.

11En de kinderen van Juda, en de Israëlieten zullen samenvergaderd worden, en zich een enig hoofd stellen, en uit het land optrekken; want de dag van Jizreël zal groot zijn.

12Zeg tot uw broers: Ammi, en tot uw zussen: Ruchama.