Hosea 2
Lees Hosea 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
God beveelt de gelovigen die in Israël overgebleven waren, te twisten met de hele afvallige hoop van hun medebroeders, en hun Gods straffen voor ogen te stellen, vanwege hun gruwelijke afgoderij en ondankbaarheid, vers 1, enz. belooft daarna Zijn kerk te herstellen en overvloedig te zegenen in de tijd van de Messias, 14, enz.
1Twist tegen uw moeder, twist, omdat zij Mijn vrouw niet is, en Ik haar Man niet ben; en laat ze haar hoererijen van haar aangezicht, en haar overspelerijen van tussen haar borsten wegdoen.
2Opdat Ik ze niet naakt uitstrope, en zette ze als op de dag toen zij geboren werd; ja, make ze als een woestijn, en zette ze als een dor land, en dode ze door dorst;
3(En Mij haar kinderen niet ontferme, omdat zij kinderen van de hoererijen zijn.
4Want hun moeder hoereert, die hen ontvangen heeft, handelt schandelijk; want zij zegt: Ik zal mijn minnaars nagaan, die mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank geven.
5Daarom, ziet, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een heiningmuur maken, dat zij haar paden niet zal vinden.
6En zij zal haar minnaars nalopen, maar hen niet aantreffen; en zij zal hen zoeken, maar niet vinden; dan zal zij zeggen: Ik zal heengaan, en keren weer tot mijn vorige Man, want toen was mij beter dan nu.
7Zij bekent toch niet, dat Ik haar het koren, en de nieuwe wijn, en de olie gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij tot de Baäl gebruikt hebben.
8Daarom zal Ik terugkomen, en Mijn koren wegnemen op zijn tijd, en Mijn nieuwe wijn op zijn gezetten tijd; en Ik zal wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, dienende om haar naaktheid te bedekken.
9En nu zal Ik haar dwaasheid ontdekken voor de ogen haar minnaars; en niemand zal haar uit Mijn hand verlossen.
10En Ik zal doen ophouden al haar vrolijkheid, haar feesten, haar nieuwe maanden, en haar sabbatten, ja, al haar vastgestelde hoogtijden.
11En Ik zal verwoesten haar wijnstok en haar vijgeboom, waarvan zij zegt: Deze zijn mij een hoerenloon, dat mij mijn minnaars gegeven hebben; maar Ik zal ze stellen tot een woud, en het wild gedierte van het veld zal ze vreten.
12En Ik zal over haar bezoeken de dagen van de Baäl, waarin zij die gerookt heeft, en zich versierd met haar voorhoofdsiersel, en haar halssieraad, en is haar minnaars nagegaan, maar heeft Mij vergeten, spreekt JAHWEH.
13Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken.
14En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal Achor, tot een deur van de hoop; en daar zal zij zingen, als in de dagen haar jeugd, en als op de dag toen zij optoog uit Egypteland.
15En het zal op die dag gebeuren, spreekt JAHWEH, dat u Mij noemen zult: Mijn Man; en Mij niet meer noemen zult: Mijn Baäl!
16En Ik zal de namen van de Baäls van haar mond wegdoen; zij zullen niet meer bij hun namen gedacht worden.
17En Ik zal op die dag een verbond voor hen maken met het wild gedierte van het veld, en met het gevogelte van de hemel, en het kruipend gedierte van de aardbodem; en Ik zal de boog, en het zwaard, en de oorlog van de aarde verbreken, en zal hen in zekerheid doen neerliggen.
18En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden.
19(En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en u zult JAHWEH kennen.
20(En het zal op die dag gebeuren, dat Ik verhoren zal, spreekt JAHWEH; Ik zal de hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren.
21En de aarde zal het koren verhoren, en ook de nieuwe wijn en de olie; en die zullen Jizreël verhoren.
22En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-ammi: U bent Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God!