BijbelHosea

Hosea 4

Lees Hosea 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

God scheldt en dreigt Israël heftig, vanwege de algemene boosheid en hardnekkigheid van het volk, de profeten en de priesters, vers 1, enz. in het bijzonder hun gruwelijke ongebonden geestelijke en lichamelijke hoererijen, 12. waarschuwt Juda dat zij Israëls voorbeeld niet navolgen, met voorzegging van het verderf dat hun boven het hoofd hing, 12.

1Hoort het woord van JAHWEH, u Israëlieten! want JAHWEH heeft een twist met de inwoners van het land, omdat er geen trouw, en geen goedertierenheid, en geen kennis van God in het land is;

2Maar vloeken en liegen, en doodslaan, en stelen, en overspel doen; zij breken door, en bloedschulden raken aan bloedschulden.

3Daarom zal het land treuren, en een ieder die daarin woont, verwelken, met het gedierte van het veld, en met het gevogelte van de hemel; ja, ook de vissen van de zee zullen weggeraapt worden.

4Maar niemand twiste noch bestraffe iemand; want uw volk is als die met de priester twisten.

5Daarom zult u vallen bij dag, ja, zelfs de profeet zal met u vallen bij nacht; en Ik zal uw moeder uitroeien.

6Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is; omdat u de kennis verworpen hebt, heb Ik u ook verworpen, dat u Mij het priesterambt niet zult bedienen; omdat u de wet van uw God vergeten hebt, zal Ik ook uw kinderen vergeten.

7Gelijk zij meerder geworden zijn, zo hebben zij tegen Mij gezondigd; Ik zal hun eer in schande veranderen.

8Zij eten de zonde van Mijn volk, en verlangen, een ieder met zijn ziel, naar hun ongerechtigheid.

9Daarom, gelijk het volk, zo zal de priester zijn; en Ik zal zijn wegen over hem bezoeken, en zijn handelingen hem vergelden.

10En zij zullen eten, maar niet verzadigd worden, zullen ontucht plegen, maar niet uitbreken in menigte; want zij hebben nagelaten JAHWEH in acht te nemen.

11Hoererij, en wijn, en nieuwe wijn neemt het hart weg.

12Mijn volk vraagt zijn hout, en zijn stok zal het hem bekend maken; want de geest van de hoererijen verleidt hen, dat zij van onder hun God weghoereren.

13Op de hoogten van de bergen offeren zij, en op de heuvelen roken zij, onder een eik, en populier, en iepeboom, omdat van die schaduw goed is; daarom ontucht plegen uw dochters, en uw bruiden bedrijven overspel.

14Ik zal over uw dochters geen bezoeking doen, omdat zij ontucht plegen, en over uw bruiden, omdat zij overspel doen; want zij zelf scheiden zich af met de hoeren, en offeren met de snoodste hoeren; het volk dan, dat geen verstand heeft, zal omgekeerd worden.

15Zo u, o Israël! wilt ontucht plegen, dat immers Juda niet schuldig wordt; kom toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-aven, en zweer niet: Zo waarachtig als JAHWEH leeft.

16Want Israël is onbandig, als een onbandige koe; nu zal hen JAHWEH weiden, als een lam in de ruimte.

17Efraïm is vergezeld met de afgoden; laat hem varen.

18Hun dronkenschap is afvallig; zij doen niet dan ontucht plegen; haar schilden (het is een schande!) houden van het woord: Geef.

19Een wind heeft haar gebonden in zijn vleugels, en zij zullen beschaamd worden vanwege hun offergaven.