BijbelHosea

Hosea 6

Lees Hosea 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De boetvaardige Israëlieten worden ingevoerd, elkaar vermanend tot bekering, met vertrouwen op Gods genade, vers 1, enz. Gods klacht over Israëls onbestendigheid in het goede en hardnekkigheid in het kwade, 4.

1Kom en laat ons terugkeren tot JAHWEH, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden.

2Hij zal ons na twee dagen levend maken; op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven.

3Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om JAHWEH te kennen; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen van het land.

4Wat zal Ik u doen, o Efraïm! wat zal Ik u doen, o Juda! omdat uw goedertierenheid is als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die heengaat.

5Daarom heb Ik hen behouwen door de profeten; Ik heb ze gedood door de redenen van Mijn mond; en uw oordelen zullen voortkomen aan het licht.

6Want Ik heb lust tot goedertierenheid, en niet tot offer; en tot de kennis van God, meer dan tot brandoffers.

7Maar zij hebben het verbond overtreden als Adam; daar hebben zij trouweloos tegen Mij gehandeld.

8Gilead is een stad van werkers van de ongerechtigheid; zij is betreden van bloed.

9Gelijk de benden van de straatschenders op iemand wachten, zo is het gezelschap van de priesters; zij moorden op de weg naar Sichem, werkelijk, zij doen schandelijke daden.

10Ik zie een afschuwelijke zaak in het huis van Israël; daar is Efraïms hoererij, Israël is verontreinigd.

11Ook heeft hij u, o Juda! een oogst gezet, als Ik de gevangenen van Mijn volk wederbracht.