Hosea 8
Lees Hosea 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
God verkondigt Israël de komst van de vijand, die hen zal vervolgen, uitroeien, wegvoeren en hun landvruchten zal verteren, omdat zij God, Zijn verbond, wet en alle heilzame leringen, kortom het goede, hebben vergeten, verlaten en veracht, een eigen koninkrijk zonder God hebben opgericht, allerlei afgoderij, huichelachtige godsdienst, en in het bijzonder de verfoeilijke kalverdienst en heidense verbonden hebben gesticht en gezocht, vers 1, enz. God dreigt ook Juda, 14.
1De bazuin aan uw mond; hij komt als een adelaar tegen het huis van JAHWEH; omdat zij Mijn verbond hebben overtreden, en zijn tegen Mijn wet afvallig geworden.
2Dan zullen zij tot Mij roepen: Mijn God! wij, Israël, kennen U.
3Israël heeft het goede verstoten; de vijand zal hem vervolgen.
4Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij; zij hebben vorsten gesteld, maar Ik heb het niet gekend; van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelf afgoden gemaakt, opdat zij uitgeroeid worden.
5Uw kalf, o Samaria! heeft u verstoten; Mijn toorn is tegen hen ontstoken; hoe lang zullen zij de reinigheid niet verdragen?
6Want dat is ook uit Israël; een werkmeester heeft het gemaakt, en het is geen God, maar het zal tot stukken worden, het kalf van Samaria.
7Want zij hebben wind gezaaid, en zullen een wervelwind maaien; het zal geen staande koren hebben, het uitspruitsel zal geen meel maken; of het misschien maakte, vreemden zullen het verslinden.
8Israël is verslonden; nu zijn zij onder de heidenen geworden, zoals een voorwerp, waar men geen lust toe heeft.
9Want zij zijn opgetogen naar Assur, een woudezel, die alleen voor zichzelf is; die van Efraïm hebben minnaars om hoerenloon gehuurd.
10Omdat zij dan onder de heidenen minnaars om hoerenloon gehuurd hebben, zo zal Ik die nu ook verzamelen; ja, zij hebben al een weinig begonnen, vanwege de last van de koning van de vorsten.
11Omdat Efraïm de altaren vermenigvuldigd heeft tot zondigen, zo zijn hem de altaren geworden tot zondigen.
12Ik schrijf hem de voortreffelijkheden Van mijn wet voor; maar die zijn geacht als wat vreemds.
13Voor wat betreft de offergaven Van mijn gaven, zij offeren vlees, en eten het, maar JAHWEH heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal Hij van hun ongerechtigheid gedenken, en hun zonden bezoeken; zij zullen weer in Egypte keren.
14Want Israël heeft zijn Maker vergeten, en tempelen gebouwd, en Juda heeft versterkte steden vermenigvuldigd; maar Ik zal een vuur zenden in zijn steden, dat zal haar paleizen verteren.