Jakobus
Nieuwe Testament · 5 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)
Inleiding
De apostel Jakobus heeft deze brief geschreven aan de gelovige, verstrooide Joden, die de christelijke godsdienst al geleerd en aangenomen hadden. Hij behandelt hierin niet zozeer de leerstukken van de christelijke leer, zoals anderen wel doen, maar omdat sommigen onder hen door de zware vervolging begonnen te verflauwen en ook enkelen onder hen het christelijk geloof niet juist beleefden, is zijn voornaamste doel in deze brief om hen enerzijds te troosten en te versterken tegen de vervolgingen en verdrukkingen, en hen anderzijds te vermanen dat zij bij de belijdenis van het geloof ook een godzalig en christelijk leven moeten voegen. Daartoe vermaant hij hen, na het opschrift, eerst tot geduld in het lijden, dat gewoonlijk op de belijdenis van het geloof volgt, en hij leert welke vruchten daaruit voortkomen: dat de ware wijsheid van God komt en van hem gebeden moet worden; dat wanneer iemand tot zonde verzocht wordt, dit niet van God komt, maar van zijn eigen begeerte; dat men Gods woord niet alleen moet horen, maar ook doen; en waarin de ware godsdienst bestaat (Hoofdstuk 1). Daarna vermaant hij dat men de persoon van de rijke niet moet aanzien met verachting van de arme, en hij leert dat het geloof, waardoor wij gerechtvaardigd en zalig worden, vergezeld moet gaan van goede werken en zich daardoor als een waar en levend geloof betoont (Hoofdstuk 2). Verder bestraft hij in het bijzonder hen die lichtvaardig anderen willen onderwijzen en bestraffen; hij vermaant tot het bedwingen van de tong, terwijl hij het kwade en het juiste gebruik daarvan aanwijst. En hij leert dat de ware wijsheid bestaat in zachtmoedigheid en vredelievendheid, en in het afleggen van afgunst en twist (Hoofdstuk 3). Daarbij vermaant hij hen ernstig de kwade begeerten te ontvluchten, terwijl hij de schadelijke vruchten daarvan aanwijst, zich te vernederen en zich van harte te bekeren, en niet kwaad van elkaar te spreken. Hij bestraft ook hen die bij hun voornemen om iets te doen niet zien op de voorzienigheid van God (Hoofdstuk 4). Ten slotte dreigt hij de rijken zwaar die hun rijkdommen misbruiken en de armen onrecht aandoen, en hij vermaant de armen met vele redenen om het onrecht van de rijken geduldig te verdragen. Hij raadt af lichtvaardig te zweren; hij leert de verdrukten en zieken wat zij tot hun troost moeten doen en hoe men zich moet gedragen, zowel in blijdschap als in verdriet, en ook hoe te handelen tegenover hen die van de waarheid afdwalen.