BijbelJakobus

Jakobus 1

Lees Jakobus 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Na het opschrift 2 vermaant de apostel de verstrooide gelovige Joden lijdzaam de beproevingen door het kruis te verdragen. 3 Om de vruchten die daaruit voortkomen. 5 En leert hen die deze wijsheid niet hebben, die van God te bidden. 6 Maar met geloof, anders zullen zij die niet verkrijgen. 9 Troost de vernederden. 10 Vermaant de rijken tot nederigheid, vanwege de vergankelijkheid van de rijkdommen en het leven. 13 Leert dat als iemand verzocht wordt tot zonde, dat niet van God komt, maar van zijn eigen begeerte, die de zonde ontvangt en baart. 17 Dat van God al het goede komt, en in het bijzonder de wedergeboorte. 19 Vermaant tot lankmoedigheid. 21 En zachtmoedigheid. 22 En Gods Woord niet alleen te horen maar ook te doen, anders is het tevergeefs gehoord. 23 Wat hij verklaart met de gelijkenis van iemand die zich spiegelt. 26 Leert ten slotte dat de beoefening van de ware godsdienst vooral bestaat in het bedwingen van zijn tong, 27 in het oefenen van liefde, vooral jegens weduwen en wezen, en in een heilig leven.

1Jakobus, een dienaar van God en van de Heere Jezus Christus; aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: zaligheid.

2Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer u in allerlei verzoekingen valt;

3Wetende, dat de beproeving van uw geloof volharding werkt.

4Maar de volharding hebbe een volmaakt werk, opdat u mag volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkig.

5En als iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die ieder mildelijk geeft, en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden.

6Maar dat hij ze begere in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt, is een golf van de zee gelijk, die van de wind gedreven en op geworpen en neergeworpen wordt.

7Want die mens mene niet, dat hij iets ontvangen zal van de Heere.

8Een dubbelhartig man is onstandvastig in al zijn wegen.

9Maar de broeder, die nederig is, roeme in zijn hoogheid.

10En de rijke in zijn vernedering; want hij zal als een bloem van het gras voorbijgaan.

11Want de zon is opgegaan met de hitte, en heeft het gras dor gemaakt, en zijn bloem is afgevallen, en de schone gedaante van haar aangezicht is vergaan; zo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken.

12Zalig is de man, die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon van het leven ontvangen, die de Heere beloofd heeft aan hen, die Hem liefhebben.

13Niemand, als hij verzocht wordt, zeg: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand.

14Maar ieder wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt.

15Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde; en de zonde voltooid zijnde baart de dood.

16Dwaal niet, mijn geliefde broeders.

17Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van de Vader van de lichten afkomende, bij Welke geen verandering is, of schaduw van omkering.

18Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord van de waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen van Zijn schepselen.

19Zo dan, mijn geliefde broeders, ieder mens zij haastig om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn;

20Want de toorn van de man werkt Gods gerechtigheid niet.

21Daarom, afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het Woord, dat in u geplant wordt, dat uw zielen kan zaligmaken.

22En wees daders van het Woord, en niet alleen hoorders, uzelf met valse overlegging bedriegende.

23Want zo iemand een hoorder is van het Woord, en niet een dader, die is een man gelijk, die zijn aangeboren aangezicht bemerkt in een spiegel;

24Want hij heeft zichzelf bemerkt, en is weggegaan, en heeft meteen vergeten, hoe hij was.

25Maar die inziet in de volmaakte wet, die van de vrijheid is, en daarbij blijft, deze, geen vergetelijk hoorder geworden zijnde, maar een dader van het werk, deze, zeg ik, zal gelukzalig zijn in dit zijn doen.

26Als iemand onder u denkt, dat hij godsdienstig is, en hij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart verleidt, zijn godsdienst is zinloos.

27De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is dit: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking, en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld.