BijbelJakobus

Jakobus 4

Lees Jakobus 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De apostel verhaalt verder de geneesmiddelen tegen de voorgaande zonden, en vermaant hen de vleselijke lusten, die de oorsprong ervan zijn, af te leggen, en wijst daartoe aan de schadelijke vruchten ervan, zoals twisten, 2 dat men niet verkrijgt wat men begeert en bidt, 4 en vijandschap met God. 5 Wat hij bewijst met de Schrift. 7 En vermaant dat zij zich aan God willen onderwerpen en de duivel weerstaan. 8 Daarbij doet hij een ernstige vermaning tot ware bekering, die hij met haar delen beschrijft. 11 En in het bijzonder zijn naaste niet te oordelen, omdat dat God alleen toekomt. 13 Bestraft ook hen die bij wat zij van plan zijn te doen, niet letten op de voorzienigheid van God noch op de broosheid van het leven. 17 En besluit dat wie weet wat hij doen moet en het niet doet, zwaarder zondigt.

1Vanwaar komen strijden en vechterijen onder u? Komen zij niet hiervan, namelijk uit uw hartstochten, die in uw lichaamsdelen strijd voeren?

2U begeert, en hebt niet; u benijdt en ijvert naar dingen, en kunt ze niet verkrijgen; u vecht en voert strijd, maar u hebt niet, omdat u niet bidt.

3U bidt, en u ontvangt niet, omdat u kwalijk bidt, opdat u het in uw hartstochten doorbrengen zou.

4Overspelers en overspeleressen, weet u niet, dat de vriendschap van de wereld een vijandschap van God is? Zo wie dan een vriend van de wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld.

5Of denkt u, dat de Schrift tevergeefs zegt: De Geest, Die in ons woont, heeft Die lust tot afgunst?

6Ja, Hij geeft grotere genade. Daarom zegt de Schrift: God weerstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade.

7Onderwerp u dan aan God; bied weerstand aan de duivel, en hij zal van u vluchten.

8Nader tot God, en Hij zal tot u naderen. Reinig de handen, u zondaars, en zuivert de harten, u dubbelhartigen!

9Gedraag u als ellendigen, en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en uw blijdschap in bedroefdheid.

10Verneder u voor de Heere en Hij zal u verhogen.

11Broeders, spreekt niet verkeerd van elkaar. Die van zijn broeder verkeerd spreekt en zijn broeder oordeelt, die spreekt verkeerd van de wet, en oordeelt de wet. Als u nu de wet oordeelt, zo bent u geen dader van de wet, maar een rechter.

12Er is één enig Wetgever, Die behouden kan en verderven. Maar wie bent u, die een anderen oordeelt?

13Nu dan u, die daar zegt: Wij zullen vandaag of morgen naar zulk een stad reizen, en daar een jaar doorbrengen, en handel drijven, en winst doen.

14U, die niet weet, wat morgen gebeuren zal, want wat is uw leven? Want het is een damp, die voor een korte tijd gezien wordt, en daarna verdwijnt.

15In plaats dat u zou zeggen: Als de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen.

16Maar nu roemt u in uw hoogmoed; al zulk soort roem is boos.

17Wie dan weet goed te doen, en niet doet, die is het zonde.