Jeremia
Oude Testament · 52 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)
Inleiding
De profeet Jeremia heeft door Gods bevel en door ingeven van de Heilige Geest in dit boek niet alleen zijn predikingen en profetieën beschreven, die hij gedurende een tijd van meer dan veertig jaar, met een heilige ijver, bijzondere vrijmoedigheid en een voorbeeldige standvastigheid, onder de koningen Josia, Joahaz, Jojakim, Jojachin (ook wel Jechonia en Chonia genoemd) en Zedekia bij het verdorven Joodse volk gedaan heeft, maar ook verschillende geschiedenissen die zich ondertussen hebben afgespeeld, die dienen tot onderwijs van Gods Kerk en tot bevestiging van zijn profetieën. In zijn predikingen bestraft en berispt hij de Joden doorgaans zeer scherp en heftig vanwege de talloze grove zonden en gruwelen, in strijd met de eerste en tweede tafel van Gods wet, die dagelijks bij groten en kleinen, in de kerkelijke, politieke en burgerlijke stand de overhand kregen en ten top stegen, met zeer ernstige en aangrijpende vermaningen tot ware bekering. Maar omdat er geen teken van bekering te bespeuren was, maar integendeel alles van kwaad tot erger ging, dreigt en voorzegt hij hun allerlei zware plagen van God, in het bijzonder de verwoesting van de stad Jeruzalem, van de tempel en van het hele land door de koning van Babel, en ook zeer uitdrukkelijk de wegvoering van het volk in de zeventigjarige Babylonische gevangenschap, met allerlei daarmee gepaard gaande ellende. Dit stelt hij hun, zowel tot overtuiging van de onboetvaardigen en hardnekkigen als tot onderwijs en waarschuwing van de vromen, niet alleen met woorden van bijzondere nadruk voor ogen, maar ook met verschillende goddelijke tekenen, als in een spiegel, levendig afgeschilderd, en met zijn diepe deernis, medelijden en voorbidden bij God, ja met bitter wenen en weeklagen (alsof hij alles voor ogen zag), betuigt en bezegelt hij het, zoals hij het naderhand met groot hartzeer heeft moeten beleven en met zijn ogen aanschouwen. Aan de andere kant troost en versterkt hij de overige bedroefde, boetvaardige en gelovige zielen met zeer heldere en mooie profetieën: deels over de verlossing uit de Babylonische gevangenschap, de terugkeer naar hun land en andere toekomstige weldaden van God, die hij hun eveneens met wonderlijke goddelijke gezichten en tekenen afbeeldt; eveneens over zware oordelen van God over vele dichtbij en veraf gelegen heidense vijandige volken die Gods volk geplaagd hadden, in het bijzonder over dat trotse en tirannieke Babel, een beeld van het antichristelijke Babel in het Nieuwe Testament; en deels, en in het bijzonder, met profetieën over de geestelijke verlossing door de Messias, onze Heere Jezus Christus, over wiens persoon, zaligmakend ambt, genadeverbond, prediking van het Evangelie, algemene Kerk uit Joden en heidenen, en over haar overvloedige zegeningen en zaligheid (zowel strijdend als triomferend), hij uitvoerig, zeer heerlijk en liefelijk profeteert.