Jeremia 1
Lees Jeremia 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Jeremia's afkomst en de tijd van zijn profeteren, vers 1, enz. God roept hem tot het profetisch ambt en versterkt hem met een teken, tegen zijn verontschuldigingen, 4. openbaart hem de gezichten van een amandelroede en een ziedende pot, 11. geeft hem een strenge opdracht tegen die van Juda, met belofte van Zijn bijstand, 17.
1De woorden van Jeremia, de zoon van Hilkia, uit de priesters, die te Anathoth waren, in het land van Benjamin;
2Tot wie het woord van JAHWEH kwam, in de dagen van Josia, zoon van Amon, koning van Juda, in het dertiende jaar van zijn regering.
3Ook gebeurde het tot hem in de dagen van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, totdat voltooid werd het elfde jaar van Zedekia, zoon van Josia, koning van Juda; totdat Jeruzalem als gevangene werd weggevoerd in de vijfde maand.
4Het woord van JAHWEH dan kwam tot mij, zeggende:
5Voordat Ik u in moeders buik vormde, heb Ik u gekend, en voordat u uit de baarmoeder voortkwam, heb Ik u geheiligd; Ik heb u voor de volken tot een profeet gesteld.
6Toen zei ik: Ach, Adonai JAHWEH! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong.
7Maar JAHWEH zei tot mij: Zeg niet: Ik ben jong; want overal, waarheen Ik u zenden zal, zult u gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult u spreken.
8Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt JAHWEH.
9En JAHWEH stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; en JAHWEH zei tot mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond.
10Zie, Ik stel u op deze dag over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten.
11Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: Wat ziet u, Jeremia? En ik zei: Ik zie een amandelroede.
12En JAHWEH zei tot mij: U hebt wel gezien; want Ik zal wakker zijn over Mijn woord, om dat te doen.
13En het woord van JAHWEH kwam voor de tweede keer tot mij, zeggende: Wat ziet u? En ik zei: Ik zie een kokende pot, waarvan het voorste deel tegen het noorden is.
14En JAHWEH zei tot mij: Van het noorden zal zich dit kwaad opdoen over alle inwoners van het land.
15Want zie, Ik roep alle geslachten van de koninkrijken van het noorden, spreekt JAHWEH; en zij zullen komen, en zetten ieder zijn troon voor de deur van de poorten van Jeruzalem, en tegen al haar muren rondom, en tegen alle steden van Juda.
16En Ik zal Mijn oordelen tegen hen uitspreken over al hun boosheid; dat zij Mij verlaten hebben, en aan andere goden gerookt, en zich gebogen hebben voor de werken van hun handen.
17U dan, omgord uw middel, en maak u op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal; wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla.
18Want zie, Ik stel u vandaag tot een versterkte stad, en tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het hele land; tegen de koningen van Juda, tegen haar vorsten, tegen haar priesters, en tegen het volk van het land.
19En zij zullen tegen u strijden, maar tegen u niets uitrichten; want Ik ben met u, spreekt JAHWEH, om u uit te helpen.