Jeremia 12
Lees Jeremia 12 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De profeet klaagt voor de HEERE over de voorspoed van zijn goddeloze landgenoten en bidt dat Hij hen wegrukt, opdat het land om hun boosheid niet langer zou lijden, vers 1, enz. waartegen de HEERE hem onderwijst en nog zwaarder vervolging voorzegt, 5. klagend over de wanhopige opstandigheid van Zijn eigen erfdeel, dat Hij daarom door de Babyloniërs moet verwoesten en met misgewas straffen, 7. niet willende evenwel de heidense naburige volken ongestraft laten, die bij deze gelegenheid Israël mede te lijf zouden vallen; met belofte van de verlossing van Zijn volk en genade aan de heidenen, die zich met Zijn volk tot Hem zouden bekeren, 14.
1U zou rechtvaardig zijn, o JAHWEH! wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal toch van Uw oordelen met U spreken; waarom is de weg van de goddelozen voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouweloos trouweloosheid bedrijven?
2U hebt ze geplant, zij zijn ook ingeworteld, zij gaan voort, ook dragen zij vrucht; U bent wel nabij in hun mond, maar ver van hun nieren.
3Maar U, o JAHWEH! ken mij, U ziet mij, en proeft mijn hart, dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot de dag van de doding.
4Hoe lang zal het land treuren, en het kruid van het hele veld verdorren? Vanwege de boosheid van degenen, die daarin wonen, vergaan de beesten en het gevogelte; omdat zij zeggen: Hij ziet ons einde niet.
5Als u loopt met de voetgangers, zo maken zij u moe; hoe zult u zich dan mengen met de paarden? Zo u alleen vertrouwt in een land van vrede, hoe zult u het dan maken in de verheffing van de Jordaan?
6Want ook uw broers en het huis van uw vader, ook die handelen trouweloos tegen u; ook die roepen u met volle stem achterna; geloof hen niet, wanneer zij vriendelijk tot u spreken.
7Ik heb Mijn huis verlaten, Ik heb Mijn erfenis laten varen; Ik heb de geliefde van Mijn ziel in de hand van haar vijanden gegeven.
8Mijn erfenis is Mij geworden als een leeuw in het woud; zij heeft haar stem tegen Mij verheven, daarom heb Ik haar gehaat.
9Mijn erfenis is Mij een gesprenkelde vogel; de vogels zijn rondom tegen haar; kom aan, verzamelt, al u gedierte van het veld, komt om te eten!
10Veel herders hebben Mijn wijngaard verdorven, zij hebben Mijn akker vertreden; zij hebben Mijn gewenste akker gesteld tot een woeste wildernis.
11Men heeft hem gesteld tot een woestheid, verwoest zijnde treurt hij tot Mij; het hele land is verwoest, omdat er niemand is, die het ter harte neemt.
12Op alle hoge plaatsen in de woestijn zijn verstoorders gekomen; want het zwaard van JAHWEH verteert van het ene einde van het land tot aan het andere einde van het land; er is geen vrede voor enig vlees.
13Zij hebben tarwe gezaaid, maar doornen gemaaid; zij hebben zich gepijnigd, maar niet gevorderd; wordt zo beschaamd vanwege uw inkomsten, vanwege de hitte van de toorn van JAHWEH.
14Zo zegt JAHWEH: Voor wat betreft al Mijn boze buren, die Mijn erfenis aanroeren, die Ik Mijn volk Israël erfelijk gegeven heb; zie, Ik zal hen uit hun land uitrukken, maar het huis van Juda zal Ik uit hun midden uitrukken.
15En het zal gebeuren, nadat Ik hen zal uitgerukt hebben, zo zal Ik terugkeren, en Mij over hen ontfermen; en Ik zal hen teruggeven, ieder tot zijn erfenis, en ieder tot zijn land.
16En het zal gebeuren, als zij de wegen van Mijn volk vlijtig zullen leren, zwerende bij Mijn Naam: Zo waarachtig als JAHWEH leeft! zoals zij Mijn volk geleerd hebben te zweren bij Baäl, zo zullen zij in het midden van Mijn volk gebouwd worden.
17Maar als zij niet zullen horen, zo zal Ik die natie ten enenmale uitrukken en verdoen, spreekt JAHWEH.