Jeremia 13
Lees Jeremia 13 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Gods weldadigheid, de ondankbaarheid van het volk en de toekomstige straffen worden afgebeeld door het teken van een linnen gordel, vers 1, enz. en door de gelijkenis van het vullen van alle wijnflessen met wijn, dat God hen met de beker van Zijn toorn allen tezamen dronken zal maken van ellende, 12. nog vermaant God hen door ootmoedige bekering deze straffen te voorkomen, 15. (waarbij de profeet zijn genegenheid toont, 17.) in het bijzonder de koning en koningin, 18. maar wetende dat zij zich even weinig zouden veranderen als een Moor zijn huid en een luipaard zijn vlekken, voorzegt hij hun de uiterste schande en ondergang, 22.
1Zo heeft JAHWEH tot mij gezegd: Ga heen, en koop u een linnen gordel, en doe die aan uw middel, maar breng hem niet in het water.
2En ik kocht een gordel naar het woord van JAHWEH, en ik deed die aan mijn middel.
3Toen kwam het woord van JAHWEH voor de tweede keer tot mij, zeggende:
4Neem de gordel, die u gekocht hebt, die aan uw middel is, en maak u op, en ga heen naar de Frath, en versteek die daar in de klove van een steenrots.
5Zo ging ik heen, en verstak die bij de Frath, zoals JAHWEH mij geboden had.
6Het gebeurde nu na verloop van vele dagen, dat JAHWEH tot mij zei: Maak u op, ga heen naar de Frath, en neem de gordel van daar, die Ik u geboden heb daar te versteken.
7Zo ging ik naar de Frath, en groef, en nam de gordel van de plaats, alwaar ik die verstopt had; en ziet, de gordel was verdorven en deugde nergens toe.
8Toen kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende:
9Zo zegt JAHWEH: Zo zal Ik verderven de hoogmoed van Juda, en die grote hoogmoed van Jeruzalem.
10Ditzelve boze volk, dat Mijn woorden weigert te horen, dat in het goeddunken van zijn hart wandelt, en andere goden navolgt, om die te dienen, en voor die zich neer te buigen; dat zal worden gelijk deze gordel, die nergens toe deugt.
11Want zoals een gordel kleeft aan de middel van een man, zo heb Ik het hele huis van Israël en het hele huis van Juda aan Mij doen kleven, spreekt JAHWEH, om Mij te zijn tot een volk, en tot een naam, en tot lof, en tot heerlijkheid; maar zij hebben niet gehoord.
12Daarom zeg dit woord tot hen: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Alle flessen zullen met wijn gevuld worden. Dan zullen zij tot u zeggen: Weten wij niet zeer wel, dat alle flessen met wijn gevuld zullen worden?
13Maar u zult tot hen zeggen: Zo zegt JAHWEH: Zie, Ik zal alle inwoners van dit land, zelfs de koningen, die op Davids troon zitten, en de priesters, en de profeten, en alle inwoners van Jeruzalem, opvullen met dronkenschap.
14En Ik zal hen in stukken slaan, de één tegen de ander, zo de vaders als de kinderen samen, spreekt JAHWEH; Ik zal niet ontzien noch sparen, noch Mij ontfermen, dat Ik hen niet zou verderven.
15Hoor en neemt ter ore, verheft u niet; want JAHWEH heeft het gesproken.
16Geef eer aan JAHWEH, uw God, voordat Hij het duister maakt, en eer uw voeten zich stoten aan de schemerende bergen; dat u naar licht wacht, en Hij het tot een schaduw van de dood stelle, en tot een donkerheid zette.
17Zult u dat dan nog niet horen, zo zal mijn ziel in verborgen plaatsen huilen vanwege de hoogmoed, en mijn oog zal bitter tranen, ja, van tranen neerdalen, omdat de kudde van JAHWEH als gevangene is weggevoerd.
18Zeg tot de koning en tot de koningin: Verneder u, zet u neer; want uw hele hoofdsieraad, de kroon van uw heerlijkheid, is neergedaald.
19De steden van het zuiden zijn toegesloten, en er is niemand, die ze opent; het hele Juda is weggevoerd, het is geheel en al weggevoerd.
20Hef uw ogen op, en zie, die daar van het noorden komen! waar is de kudde, die u gegeven was, de schapen van uw heerlijkheid?
21Wat zult u zeggen, wanneer Hij bezoeking over u doen zal, daar u hem geleerd hebt tot vorsten, tot een hoofd over u te zijn; zullen u de smarten niet aangrijpen, als een barende vrouw?
22Wanneer u dan in uw hart zult zeggen: Waarom zijn mij deze dingen bejegend? Om de veelheid van uw ongerechtigheid, zijn uw zomen ontdekt, en uw hielen hebben geweld geleden.
23Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn vlekken? Zo zult u ook kunnen goed doen, die geleerd bent kwaad te doen.
24Daarom zal Ik hen verstrooien als een stoppel, die doorgaat, door een wind van de woestijn.
25Dit zal uw lot, het deel van uw maten zijn van Mij, spreekt JAHWEH; u, die Mij hebt vergeten, en op leugen vertrouwt.
26Zo zal Ik ook uw zomen ontbloten boven uw aangezicht, en uw schande zal gezien worden.
27Uw overspelen en uw hunkeringen, de schandelijkheid van uw hoerdom, op heuvelen, in het veld; Ik heb uw gruwelijke dingen gezien; wee u, Jeruzalem! zult u niet rein worden? Hoe lang nog na deze?