Jeremia 16
Lees Jeremia 16 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
God beveelt de profeet vrouw noch kind te hebben in Juda, en noch op rouwmaaltijden noch in vrolijke gastmalen te verschijnen, om de aanstaande ellende daardoor aan het volk af te beelden, vers 1, enz. verhaal van de zonden die de oorzaak van deze plagen waren, 10. Hiertussen voegt God een genadebelofte van de verlossing van Zijn volk, 14. en gaat daarna voort met de dreigementen en het verhaal van de oorzaken, 16. De profeet troost zichzelf en beschaamt de Joden door de toekomstige roeping en bekering van de afgodische heidenen, 19.
1En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende:
2U zult u geen vrouw nemen, en u zult geen zonen noch dochters hebben in deze plaats.
3Want zo zegt JAHWEH van de zonen en van de dochters, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze winnen in dit land:
4Zij zullen pijnlijke doden sterven, zij zullen niet beklaagd noch begraven worden, zij zullen tot mest op de aardbodem zijn, en zij zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden, en hun dode lichamen zullen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn.
5Want zo zegt JAHWEH: Ga niet in het huis van degene, die een rouwmaaltijd houdt, en ga niet heen om te rouwklagen, en heb geen medelijden met hen; want Ik heb van dit volk (spreekt JAHWEH) weggenomen Mijn vrede, goedertierenheid en barmhartigheden;
6Zodat groten en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelf insnijden, noch kaal maken om hunnentwil.
7Ook zal men hun niets uitdelen over de rouw, om iemand te troosten over een dode; noch hun te drinken geven uit de troostbeker, over iemands vader of over iemands moeder.
8Ga ook niet in een huis van de maaltijd, om bij hen te zitten, om te eten en te drinken.
9Want zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik zal van deze plaats, voor uw ogen en in uw dagen, doen ophouden de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid.
10En het zal gebeuren, als u dit volk al deze woorden zult aanzeggen, en zij tot u zeggen: Waarom spreekt JAHWEH al dit grote kwaad over ons, en welke is onze misdaad, en welke is onze zonde, die wij tegen JAHWEH, onze God, gezondigd hebben?
11Dat u tot hen zult zeggen: Omdat uw vaders Mij verlaten hebben, spreekt JAHWEH, en hebben andere goden nagewandeld, en die gediend, en zich voor die neergebogen; maar Mij verlaten, en Mijn wet niet gehouden hebben;
12En u erger gedaan hebt dan uw vaders; want zie, u wandelt, ieder naar het goeddunken van zijn boos hart, om naar Mij niet te horen.
13Daarom zal Ik u uit dit land werpen, in een land, dat u niet gekend hebt, u noch uw vaders; en daar zult u andere goden dienen, dag en nacht, omdat Ik u geen genade zal geven.
14Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat er niet meer zal gezegd worden: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, Die de Israëlieten uit Egypteland heeft opgevoerd!
15Maar: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, Die de Israëlieten heeft opgevoerd uit het land van het noorden, en uit al de landen waarheen Hij hen gedreven had! want Ik zal hen teruggeven in hun land, dat Ik hun vaders gegeven heb.
16Zie, Ik zal zenden tot veel vissers, spreekt JAHWEH, die zullen hen vissen; en daarna zal Ik zenden tot veel jagers, die zullen hen jagen, van op elke berg, en van op elke heuvel, ja, uit de kloven van de steenrotsen.
17Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verborgen van voor Mijn ogen.
18Daarom zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land ontheiligd hebben; zij hebben Mijn erfenis met de dode lichamen van hun gruwelijke dingen vervuld.
19O JAHWEH! U bent mijn Sterkte, en mijn Sterkheid, en mijn Toevlucht op de dag van de benauwdheid; tot U zullen de heidenen komen van de einden van de aarde, en zeggen: Immers hebben onze vaders leugen erfelijk bezeten, en zinloosheid, waarin toch niets was, dat nut deed.
20Zal een mens zich goden maken? Zij zijn toch geen goden.
21Daarom, ziet, Ik zal hun bekend maken op ditmaal; Ik zal hun bekend maken Mijn hand en Mijn macht; en zij zullen weten, dat Mijn Naam is JAHWEH.