Jeremia 2
Lees Jeremia 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
God stelt Zijn volk zeer aangrijpend de weldaden voor ogen die Hij hun van het begin af bewezen heeft, en klaagt heftig over hun gruwelijke, voortdurende en geheel onredelijke afgodische ondankbaarheid, vers 1, enz. zoals onder de heidenen niet te vinden is, 10. over hun verschrikkelijke en dubbele boosheid, 12. waardoor zij zelf de oorzaak zijn van hun ellende, 14. verwijt van hun vergeefs lopen naar Egypte en Assur, 18, 36. evenzo van hun ongebonden, onbeschaamde, hardnekkige, veelvuldige en meer dan heidense afgoderij, en schandelijke vergeting en verlating van God, 20. evenzo bloedvergieten en huichelarij, 34.
1En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende:
2Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt JAHWEH: Ik gedenk aan de goedertierenheid van uw jeugd, aan de liefde van uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land.
3Israël was JAHWEH een heiligheid, de eerstelingen van Zijn opbrengst; allen, die hem opaten, werden voor schuldig gehouden; kwaad kwam hun over, spreekt JAHWEH.
4Hoort het woord van JAHWEH, u huis van Jakob, en alle geslachten van het huis van Israël!
5Zo zegt JAHWEH: Wat voor onrecht hebben uw vaders aan Mij gevonden, dat zij ver van Mij geweken zijn, en hebben de zinloosheid nagewandeld, en zij zijn ijdel geworden?
6En zeiden niet: Waar is JAHWEH, Die ons opvoerde uit Egypteland, Die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen en kuilen, in een land van dorheid en schaduw van de dood, in een land, waar niemand doorging, en waar geen mens woonde?
7En Ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht daarvan en het goede er van te eten; maar toen u daarin kwam, verontreinigde u Mijn land, en stelde Mijn erfenis tot een gruwel.
8De priesters zeiden niet: Waar is JAHWEH? en die de wet handelden, kenden Mij niet; en de herders overtraden tegen Mij; en de profeten profeteerden door Baäl, en wandelden naar dingen, die geen nut doen.
9Daarom zal Ik nog met u twisten, spreekt JAHWEH; ja, met uw kleinkinderen zal Ik twisten.
10Want, gaat over in de eilanden van de Chitteers, en ziet toe, en zendt naar Kedar, en merkt er wel op; en ziet, of iets dergelijks gebeurd zij?
11Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel die geen goden zijn? Toch heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in wat geen nut doet.
12Ontzet u hierover, u hemelen, en wees verschrikt, wordt zeer woest, spreekt JAHWEH.
13Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, de Springader van het levende water, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.
14Is dan Israël een knecht, of is hij een ingeborene van het huis? Waarom is hij dan ten roof geworden?
15De jonge leeuwen hebben over hem gebruld, zij hebben hun stem verheven; en zij hebben zijn land gezet in verwoesting; zijn steden zijn verbrand, dat er niemand in woont.
16Ook hebben u de kinderen van Nof en Tachpanhes de schedel afgeweid.
17Doet u dit niet zelf, doordien u JAHWEH, uw God, verlaat, ten tijde als Hij u op de weg leidt?
18En nu, wat hebt u te doen met de weg van Egypte, om de wateren van Sihor te drinken? En wat hebt u te doen met de weg van Assur, om de wateren van de rivier te drinken?
19Uw boosheid zal u straffen, en uw afkeringen zullen u straffen; weet dan en ziet, dat het kwaad en bitter is, dat u JAHWEH, uw God, verlaat, en Mijn vrees niet bij u is, spreekt de Heere, JAHWEH van de legermachten.
20Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zei u: Ik zal niet dienen; maar op elke hoge heuvel en onder alle groene boom loopt u om, hoererende.
21Ik had u toch geplant, een edele wijnstok, een geheel getrouw zaad; hoe bent u Mij dan veranderd in verbasterde ranken van een vreemde wijnstok?
22Want, al waste u zich met salpeter, en nam u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt Adonai JAHWEH.
23Hoe zegt u: Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baäls niet nagewandeld? Zie uw weg in het dal, ken, wat u gedaan hebt, u lichte, snelle kamelin, die haar wegen verdraait!
24Zij is een woudezelin, gewend in de woestijn, naar de lust van haar ziel schept zij de wind, wie zou haar ontmoeting afkeren? Allen, die haar zoeken, zullen niet moe worden, in haar maand zullen zij haar vinden.
25Bedwing uw voet van ontschoeiing, en uw keel van dorst; maar u zegt: Het is buiten hoop; neen, want ik heb de vreemden lief, en die zal ik nawandelen!
26Gelijk een dief beschaamd wordt, wanneer hij gevonden wordt, zo zijn die van het huis van Israël beschaamd; zij, hun koningen, hun vorsten, en hun priesters, en hun profeten;
27Die tot een hout zeggen: U bent mijn vader; en tot een steen: U hebt mij gegenereerd; want zij keren Mij de nek toe, en niet het aangezicht; maar ten tijde van hun kwaad zeggen zij: Sta op en verlos ons.
28Waar zijn dan uw goden, die u zich gemaakt hebt? Laat ze opstaan, of zij u ten tijde van uw kwaad zullen verlossen; want naar het getal van uw steden zijn uw goden, o Juda!
29Waarom twist u tegen Mij? U hebt allen tegen Mij overtreden, spreekt JAHWEH.
30Tevergeefs heb Ik uw kinderen geslagen; zij hebben de tucht niet aangenomen; uw zwaard heeft uw profeten verteerd, als een verdervende leeuw.
31O geslacht, beschouwt u toch het woord van JAHWEH! Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land van de uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk: Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen?
32Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel, of een bruid haar bindselen? Toch heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal.
33Wat maakt u uw weg goed, daar u wellust zoekt? Waarom u ook de booste hoeren uw wegen geleerd hebt.
34Ja, het bloed van de zielen van de onschuldige armen is in uw zomen gevonden; Ik heb dat niet met opgraven gevonden, maar aan alle die.
35Nog zegt u: Zeker, ik ben onschuldig; Zijn toorn is immers van mij afgekeerd. Zie, Ik zal met u rechten, omdat u zegt: Ik heb niet gezondigd.
36Wat reist u veel uit, veranderende uw weg? U zult ook van Egypte beschaamd worden, zoals u van Assur beschaamd bent.
37U zult ook van hier uitgaan met uw handen op uw hoofd; want JAHWEH heeft al uw vertrouwen verworpen, zodat u daarmee niet voorspoedig zult zijn.