Jeremia 22
Lees Jeremia 22 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
God zendt de profeet naar het hof om daar te prediken wat zij moesten doen om het goed te hebben, vers 1, enz. en omdat zij het tegendeel deden, dreigt Hij het huis van de koning en Jeruzalem met het uiterste verderf, 6. Profetie over Sallum, 10. Jojakim, 13. en Chonja, 24.
1Zo zegt JAHWEH: Ga af in het huis van de koning van Juda, en spreek daar dit woord.
2En zeg: Hoor het woord van JAHWEH, u koning van Juda, u, die zit op Davids troon, u, en uw knechten, en uw volk, die door deze poorten ingaan!
3Zo zegt JAHWEH: Doe recht en gerechtigheid, en redt de beroofde uit de hand van de verdrukker; en onderdrukt de vreemdeling niet, de wees noch de weduwe; doe geen geweld en vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats.
4Want als u deze zaak ernstig zult doen, zo zullen door de poorten van dit huis koningen ingaan, zittende voor David op zijn troon, rijdende op wagens en op paarden, hij, en zijn knechten, en zijn volk.
5Als u daarentegen deze woorden niet zult horen, zo heb Ik bij Mij gezworen, spreekt JAHWEH, dat dit huis tot een woestheid worden zal.
6Want zo zegt JAHWEH van het huis van de koning van Juda: U bent Mij een Gilead, een hoogte van Libanon; maar zo Ik u niet zette als een woestijn en onbewoonde steden!
7Want Ik zal verdervers tegen u heiligen, elk met zijn gereedschap; die zullen uw uitgelezen cederen omhouwen, en in het vuur werpen.
8Dan zullen veel heidenen voorbij deze stad gaan, en zullen zeggen, een ieder tot zijn naaste: Waarom heeft JAHWEH zo gedaan deze grote stad?
9En zij zullen zeggen: Omdat zij het verbond van JAHWEH, van hun God, hebben verlaten, en hebben zich voor andere goden neergebogen, en die gediend.
10Ween niet over de dode, en beklaagt hem niet; ween vrij over die, die weggegaan is, want hij zal nimmermeer terugkomen, dat hij het land van zijn geboorte zie.
11Want zo zegt JAHWEH van Sallum, de zoon van Josia, koning van Juda, die in de plaats van zijn vader Josia regeerde, die uit deze plaats is uitgegaan: Hij zal daar nimmermeer terugkomen.
12Maar in de plaats, waarheen zij hem als gevangene hebben weggevoerd, zal hij sterven, en dit land zal hij niet meer zien.
13Wee die, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijn opperzalen met onrecht; die de dienst van zijn naaste om niet gebruikt, en geeft hem zijn arbeidsloon niet!
14Die daar zegt: Ik zal mij een zeer hoog huis bouwen, en glorierijke opperzalen; en hij houwt zich vensters uit, en het is bedekt met ceder, en aangestreken met menie.
15Zou u regeren, omdat u zich mengt met de ceder? Heeft niet uw vader gegeten en gedronken, en recht en gerechtigheid gedaan, en het ging hem toen wel?
16Hij heeft de rechtzaak van de ellendigen en armen gericht, toen ging het hem wel; is dat niet Mij te kennen? spreekt JAHWEH.
17Maar uw ogen en uw hart zijn niet dan op uw gierigheid, en op onschuldig bloed, om dat te vergieten, en op verdrukking en overlast, om die te doen.
18Daarom zegt JAHWEH zo van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda: Zij zullen hem niet beklagen: Och mijn broer! of, och zus! Zij zullen hem niet beklagen: Och, heer! of, och zijn majesteit!
19Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden; men zal hem slepen en daarheen werpen, verre weg van de poorten van Jeruzalem.
20Klim op de Libanon en roep, en verhef uw stem op de Basan; roep ook van de doorwaadbare plaatsen; maar al uw liefhebbers zijn verbroken.
21Ik sprak u aan in uw grote voorspoed, maar u zei: Ik zal niet horen. Dit is uw weg van uw jeugd af, dat u Mijn stem niet hebt gehoorzaamd.
22De wind zal al uw herders weiden, en uw liefhebbers zullen in de gevangenis gaan; dan zult u zeker beschaamd en te schande worden, vanwege al uw boosheid.
23O u, die nu op de Libanon woont, en in de cederen nestelt! hoe begenadigd zult u zijn, als u de smarten zullen aankomen, het wee als van een barende vrouw!
24Zo waarachtig als Ik leef, spreekt JAHWEH, hoewel Chonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring was aan Mijn rechterhand, zo zal Ik u toch van daar wegrukken.
25En Ik zal u geven in de hand van degenen, die uw ziel zoeken, en in de hand van degenen, voor wie u schrikt, namelijk in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, en in de hand van de Chaldeeën.
26En Ik zal u, en uw moeder, die u gebaard heeft, uitwerpen in een ander land, waarin u niet geboren bent, en daar zult u sterven.
27En in het land, waarnaar hun ziel verlangt om daar weer te komen, daarheen zullen zij niet terugkomen.
28Is dan deze man Chonia een veracht, verstrooid, afgodisch beeld? Of is hij een voorwerp, waaraan men geen lust heeft? Waarom zijn hij en zijn zaad uitgeworpen, ja, weggeworpen in een land, dat zij niet kennen?
29O land, land, land! hoor het woord van JAHWEH!
30Zo zegt JAHWEH: Schrijf deze zelfde man kinderloos, een man, die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen; want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op de troon van David, en heersende meer in Juda.