BijbelJeremia

Jeremia 23

Lees Jeremia 23 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Profetie tegen de slechte herders, met belofte van de vergadering en het herstel van Gods kudde door Christus, onze gerechtigheid, vers 1, enz. uitvoerige profetie tegen de valse profeten en dromers, met getrouwe waarschuwingen en zware dreigementen, 9. tegen degenen die met Jeremia en de last van de HEERE de spot dreven, 33.

1Wee de herders, die de schapen van Mijn weide ombrengen en verstrooien! spreekt JAHWEH.

2Daarom zegt JAHWEH, de God van Israël, zo van de herders, die Mijn volk weiden: U hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; zie, Ik zal over u bezoeken de boosheid van uw handelingen, spreekt JAHWEH.

3En Ik zal het overblijfsel van Mijn schapen Zelf verzamelen uit al de landen, waarheen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze teruggeven tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen.

4En Ik zal herders over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt JAHWEH.

5Zie, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.

6In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmee men Hem zal noemen: JAHWEH: ONZE GERECHTIGHEID.

7Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, Die de Israëlieten uit Egypteland heeft opgevoerd.

8Maar: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, Die het zaad van het huis van Israël heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land.

9Voor wat betreft de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, wie de wijn te boven gaat; vanwege JAHWEH, en vanwege de woorden van Zijn heiligheid.

10Want het land is vol overspelers, want het land treurt vanwege de vloek, de weiden van de woestijn verdorren, omdat hun loop boos is, en hun macht niet recht.

11Want zowel profeten als priesters zijn huichelaars; zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt JAHWEH.

12Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar van hun bezoeking, spreekt JAHWEH.

13Ik heb wel ongerijmdheid gezien in de profeten van Samaria, die door Baäl profeteerden, en Mijn volk Israël verleidden.

14Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwelijkheid; zij bedrijven overspel, en gaan om met valsheid, en sterken de handen van de boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, ieder van zijn boosheid; zij allen zijn Mij als Sodom, en haar inwoners als Gomorra.

15Daarom zegt JAHWEH van de legermachten van deze profeten zo: Zie, Ik zal hen met alsem spijzigen, en met gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het hele land.

16Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Hoor niet naar de woorden van de profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het visioen van hun harten, niet uit de mond van JAHWEH.

17Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: JAHWEH heeft het gesproken, u zult vrede hebben; en tot al wie naar het goeddunken van zijn hart wandelt, zeggen zij: U zal geen kwaad overkomen.

18Want wie heeft in de raad van JAHWEH gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord?

19Zie, een onweer van JAHWEH, een woede is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweer, het zal blijven op het hoofd van de goddelozen.

20De toorn van JAHWEH zal zich niet afwenden, voordat Hij zal hebben gedaan, en voordat Hij zal hebben daargesteld de gedachten van Zijn hart; in het laatste van de dagen zult u met verstand daarop letten.

21Ik heb die profeten niet gezonden, toch hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, toch hebben zij geprofeteerd.

22Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun boze weg, en van de boosheid van hun handelingen.

23Ben Ik een God van nabij, spreekt JAHWEH, en niet een God van verre?

24Zou zich iemand in verborgen plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt JAHWEH; vervul Ik niet de hemel en de aarde? spreekt JAHWEH.

25Ik heb gehoord, wat de profeten zeggen, die in Mijn Naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd.

26Hoe lang? Is er dan een droom in het hart van de profeten, die de leugen profeteren? Ja, het zijn profeten van de bedriegerij van hun hart.

27Die daar denken om Mijn volk Mijn Naam te doen vergeten, door hun dromen, die zij, een ieder zijn naaste, vertellen; zoals hun vaders Mijn Naam vergeten hebben door Baäl.

28De profeet, bij welke een droom is, die vertelle de droom; en bij welke Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtig; wat heeft het stro met het koren te doen? spreekt JAHWEH.

29Is Mijn woord niet zo, als een vuur? spreekt JAHWEH, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?

30Daarom, ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt JAHWEH, die Mijn woorden stelen, een ieder van zijn naaste;

31Zie, Ik wil aan de profeten, spreekt JAHWEH, die hun tong nemen, en spreken: Hij heeft het gesproken;

32Zie, Ik wil aan degenen, die valse dromen profeteren, spreekt JAHWEH, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugens en met hun lichtvaardigheid; daar Ik hen niet gezonden, en hun niets bevolen heb, en zij dit volk geheel geen nut doen, spreekt JAHWEH.

33Wanneer dan dit volk, of een profeet, of priester u vragen zal, zeggende: Wat is de last van JAHWEH? Zo zult u tot hen zeggen: Wat last? Dat Ik u verlaten zal, spreekt JAHWEH.

34En voor wat betreft de profeet, of de priester, of het volk, dat zeggen zal: De last van JAHWEH; dat Ik bezoeking zal doen over die man en over zijn huis.

35Zo zult u zeggen, ieder tot zijn naaste, en ieder tot zijn broer: Wat heeft JAHWEH geantwoord, en wat heeft JAHWEH gesproken?

36Maar de last van JAHWEH zult u niet meer gedenken; want voor ieder zal zijn eigen woord een last zijn, omdat u verkeert de woorden van de levende God, JAHWEH van de legermachten, onze God.

37Zo zult u zeggen tot de profeet: Wat heeft u JAHWEH geantwoord en wat heeft JAHWEH gesproken?

38Maar omdat u zegt: De last van JAHWEH; daarom, zo zegt JAHWEH: Omdat u dit woord zegt: De last van JAHWEH, daar Ik tot u gezonden heb, zeggende: U zult niet zeggen: De last van JAHWEH;

39Daarom, ziet, Ik zal u ook geheel vergeten, en u, en ook de stad, die Ik u en uw vaders gegeven heb, van Mijn aangezicht laten varen.

40En Ik zal u eeuwige smaad aandoen, en eeuwige schande, die niet zal worden vergeten.